Vennootschapsbelasting enkel voor intercommunales die winstgevende verrichtingen doen

Intercommunales worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Het Grondwettelijk Hof valideert het wettelijk mechanisme ... maar wijst erop dat een intercommunale die zich niet bezighoudt met winstgevende verrichtingen, niet onderworpen wordt aan de vennootschapsbelasting maar onderworpen blijft aan de personenbelasting.

Op 1 december 2016 velde het Grondwettelijk Hof een arrest (nr 151/2016) over de beroepen tot vernietiging van de wettelijke bepalingen die intercommunales, samenwerkingsverbanden of projectverenigingen onderwerpen aan de vennootschapsbelasting.

Twee argumenten werden ingeroepen om de grondwettigheid van deze wettelijke bepalingen aan te vechten. Het eerste behelst de schending van de herstelregels betreffende bevoegdheden tussen de federale overheid en de gewesten, en van het beginsel van de federale loyauteit. Het tweede is gebaseerd op de schending van het beginsel van non-discriminatie. Wij zullen ons beperken tot dat laatste middel.

De verzoekende partijen verwijten de wetgever dat hij intercommunales, samenwerkingsverbanden en projectverenigingen aan de vennootschapsbelasting onderworpen heeft en zo een verschil in behandeling creëert tussen hen en de gemeenten, die aan de rechtspersonenbelasting onderworpen blijven, terwijl ze allen handelen met het oog op het algemeen belang.

Volgens het Hof sluit het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geen verschil in behandeling uit tussen bepaalde categorieën van personen, voor zover dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van zo'n verantwoording moet beoordeeld worden rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden als vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

De afschaffing van de vrijstelling en het opnieuw onderwerpen van de intercommunales aan de regels van het gemeen fiscaal recht van de vennootschapsbelasting maken een gerichte - en bijgevolg rechtvaardigere - behandeling van de intercommunales mogelijk, waarbij rekening gehouden wordt met hun bijzondere kenmerken. De afschaffing van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting die alle intercommunales genoten, heeft immers niet tot gevolg hen automatisch aan die belasting te onderwerpen.

Het Hof haalt twee criteria aan om na te gaan of het gerechtvaardigd is of een intercommunale onderworpen is aan de vennootschapsbelasting. Binnenlandse vennootschappen, in de zin van artikel 179 van het WIB 1992, d.w.z. een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig opgericht is, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard (art. 2, §1, 5° WIB '92) zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Artikel 220, 3° van datzelfde Wetboek stipuleert ook dat aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn: de rechtspersonen die geen onderneming exploiteren of zich niet met winstgevende verrichtingen bezighouden, of ingevolge art. 181 en 182 WIB '92 niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn.

Daaruit volgt dat een intercommunale die aantoont dat ze geen onderneming exploiteert noch winstgevende verrichtingen doet, of zich bevindt in een van de specifieke situaties bepaald in artikel 181 en 182 van het WIB '92, niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen blijft. Wat die structuren betreft, is er dus geen verschil in behandeling.

Bovendien zijn een gemeente die zelf een bepaalde opdracht van gemeentelijk belang uitvoert en een intercommunale die speciaal opgericht werd om een dergelijke opdracht te vervullen, geen categorieën van rechtspersonen die zo vergelijkbaar zijn dat ze op dezelfde wijze behandeld zouden moeten worden. Zij onderscheiden zich van elkaar door de wijze waarop de activiteit van gemeentelijk belang uitgeoefend wordt: in tegenstelling tot een gemeente kan een intercommunale op grote schaal commerciële methodes en strategieën aanwenden, winstgevende verrichtingen doen, concurrentiële markten opsporen en ontwikkelen, winst maken en dividenden uitkeren.

Rekening houdend met die verschillen en de doelstellingen van de wetgever is de toepassing van een verschillende fiscale regeling op de gemeenten enerzijds, en op de intercommunales, samenwerkingsverbanden en projectverenigingen die een onderneming exploiteren of zich met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, anderzijds niet zonder redelijke verantwoording.

Visie van Brulocalis

Brulocalis vindt dat het Hof een evenwichtige beslissing nam, die de intercommunales rechtszekerheid biedt en tegelijk ook de nodige soepelheid mogelijk maakt.

« Terug

Auteur

Matthias DE COCK
Publicatiedatum
23-01-2017
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links