Strijd tegen radicalisme: wat kunnen gemeenten doen?

Naar aanleiding van de aanslagen in Parijs van 13 november gaan wij na over welke middelen de gemeenten beschikken in de strijd tegen radicalisme. Een overzicht en afspraak voor een diepgaandere analyse.

De problematiek kan belicht worden vanuit 4 invalshoeken:

1. Vrijwaring van de openbare orde

 

De gemeenten beschikken over middelen op basis van hun taak van vrijwaring van de openbare orde:

  • De bevoegdheid van de burgemeester om politiebesluiten te nemen op basis van artikel 135, § 2 NGW gekoppeld aan artikel 133, 2 lid;
  • De regelgevende bevoegdheid van de burgemeester op basis van artikel 134 NGW in geval van oproer, samenscholingen, ernstige schending van de openbare vrede of andere onvoorziene omstandigheden;
  • De bevoegdheid van het college inzake politie op de vertoningen;
  • De mogelijkheid voor de burgemeester om de federale politie in te schakelen op basis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een eengemaakte politiedienst, gestructureerd op 2 niveaus;
  • De wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, die stelt dat de burgemeester voor de uitvoering van de opdrachten in verband met veiligheid een beroep kan doen op de burgerbescherming en zijn plicht om een algemeen urgentie- en interventieplan op te stellen met algemene richtlijnen en de nodige informatie voor de aanpak van noodsituaties, met inbegrip van de maatregelen die genomen moeten worden en de organisatie van hulp.

2. Preventie van radicalisme

 

Preventie is van cruciaal belang in de strijd tegen radicalisme.

Er worden acties gevoerd op Europees, federaal, gewestelijk en gemeentelijk niveau.

Wij zullen daarop ingaan in de laatste Nieuwsbrief van 2015, aan de hand van een tabel met een overzicht van de subsidies waarop de gemeenten in dat kader aanspraak kunnen maken.

U kan nu reeds deze subsidies vinden in onze gegevensbank subsidies.

3. Aanpak via de materie burgerlijke stand - bevolking

 

Het college is belast met het bijhouden van de registers van de gemeenten en het rijksregister. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de akten van de burgerlijke stand op, maar doet ook de transcriptie van diverse gerechtelijke beslissingen die betrekking h ebben op de burgerlijke stand van de burgers. Vanuit de invalshoek van die 2 bevoegdheden kan een mogelijke interventie van de gemeente bekeken worden.

3.1. Inzameling van aanwijzingen aan de bron

In de strijd tegen radicalisme hebben de bovenvermelde overheden doorgaans geen rechtstreekse onderzoeks- of beslissingsbevoegdheid. Toch kunnen bepaalde maatregelen die op gemeentelijk niveau genomen worden, kostbare aanwijzingen vormen en mogelijke denkpistes aanreiken:

  • Het onderzoek naar de verblijfplaats door de wijkagent bij de aankomst van een persoon op het gemeentelijk grondgebied (de verklaring van verblijfplaats vindt binnen de 8 werkdagen plaats, maar zonder enige sanctie indien dat niet gebeurt)
  • Ambtshalve schrapping: als de burger niet langer effectief op het gemeentelijk grondgebied woont, en zich niet bevindt in een geval van wettelijk voorziene tijdelijke afwezigheid [Zie art. 18, 1e lid, KB 16.07.1992 betreffende de bevolkingsregisters en de vreemdelingenregisters: studie in het buitenland, verblijf in rusthuis, ziekenhuis, opvangcentrum, ...] kan het college de ambtshalve schrapping van de burger uitspreken. Toch moeten we onderstrepen dat het bezwaar tegen de gemeentelijke beslissing een opschortend effect heeft tegen de schrapping ...

3.2. Afgifte van documenten – strijd tegen identiteitsfraude

Buiten de 2 gevallen waar de gemeente beschikt over informatie 'aan de bron', interveniëren de diensten burgerlijke stand – bevolking als uitvoerders door de afgifte van identiteits- en reisdocumenten:

  • Biometrische paspoorten en verblijfstitels van vreemdelingen (met foto en vinger­afdrukken);
  • Identiteitskaarten die uiterlijk in 2007 ook biometrische gegevens zullen bevatten (ook voorzien is de stockage in “Belpic” van foto's van de betrokkene van de 15 laatste jaren).

3.3. Nieuwe maatregelen – plaats van de gemeente moet nog bepaald worden

De nieuwe maatregelen beogen: het verlies van nationaliteit wegens terrorisme, intrekking of weigering van afgifte of schorsing/invalidering van identiteitskaart of paspoort door de bevoegde minister. De gemeentelijke overheden hebben geen rechtstreekse actiebevoegdheid, tenzij:

  • De ambtenaar van de burgerlijke stand moet de beslissing van de correctionele rechtbank van verlies van de Belgische nationaliteit wegens het begaan van terroristische daden inschrijven (Zie o.a. art. 23/2 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit).
  • De minister kan inlichtingen vragen [wij veronderstellen dat ook de gemeenten bedoeld worden] die vereist zijn om te beslissen over de intrekking of invalidering van een reistitel (Zie art. 65/2 van het Consulair Wetboek).
  • Wat de intrekking van de identiteitskaart betreft (voornamelijk in geval van vermoeden van vertrek naar conflictzones), kan de burgemeester van de woonplaats op eigen initiatief een gemotiveerd advies zenden naar de minister van Binnenlandse Zaken. Die laatste geeft het onmiddellijk door aan de Staatsveiligheid. Deze hypothese wordt aangehaald in de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 10 augustus 2015 [Doc. parl., 54, 1200/004, p. 2].

Wij onderstrepen dat deze maatregelen nog niet vastgelegd zijn in uitvoeringsbesluiten. De gemeentelijke overheden ontvingen geen concrete instructies bij de weigering of schorsing van afgifte van een identiteitskaart of paspoort: zullen zij rechtstreeks met die taak belast worden ten aanzien van de bestuurde die zich aanbiedt bij de gemeente? Zal de bevoegde minister zijn beslissing meedelen of wordt die omgezet in een waarschuwing in het rijksregister, zodat de gemeente verwittigd wordt? Of misschien is het een bijzondere dienst die afhangt van de bevoegde ministers, die zich met dit soort dossiers zal bezighouden?

Buiten de voorgenoemde gevallen kan steeds, geval per geval, samenwerking tot stand gebracht worden tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de diensten ‘burgerlijke stand-bevolking’.

4. Aangifteplicht en beroepsgeheim

 

Volgens artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering hebben alle ambtenaren de plicht om misdrijven waarvan ze kennis krijgen, te melden. Die meldingsplicht is echter relatief en staat in samenhang met het beroepsgeheim. Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt dat iedere persoon die het beroepsgeheim schendt, gestraft kan worden met een gevangenisstraf of een geldboete.

Hoewel de meldingsplicht eveneens strafrechtelijk is geregeld, staat er geen enkele sanctie op de niet naleving van deze verplichting, terwijl dat voor de schending van het beroepsgeheim wel degelijk het geval is. Men kan hieruit afleiden dat het beroepsgeheim voorrang heeft op de meldingsplicht.

Het beroepsgeheim is niet absoluut: het getuigenis in rechte is toegelaten, maar er bestaat geen vrijstelling tegenover politie of parket. Wie ondervraagd wordt door politie of parket moet zich beroepen op zijn beroepsgeheim tenzij er een noodtoestand bestaat.

Ook is niet alles wat een ambtenaar bij de gemeente verneemt, een geheim in de zin van het beroepsgeheim. Om te beginnen is het beroepsgeheim in functie van de finaliteit waarvoor een dienst werd opgericht. Dat geldt dus voor de diensten die geen vertrouwensrelatie vergen. Enkel de personen die een vertrouwensrelatie hebben met de betrokkene en aan wie noodzakelijkerwijze geheimen werden toevertrouwd, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim. Feiten die bovendien geen enkel verband hebben met de functie, behoren evenmin tot het beroepsgeheim.

Meer info binnenkort

 

  • Wij zullen dieper ingaan op deze elementen in ons laatste nummer van Nieuwsbrief-Brussel van 2015.
  • Het beroepsgeheim - zowel op gemeentelijk niveau als wat de OCMW's betreft - zal aan bod komen in onze Nieuwsbrief 2016-1.

Actie van de VSGB

 

  • De bevoegdheden van de gemeente in de strijd tegen radicalisme worden besproken op het Bureau van de VSGB van 25 november 2015.
  • Het beroepsgeheim in het kader van de OCMW's is het centrale thema van de Herfstontmoeting van de Afdeling OCMW op 26 november 2015.

« Terug

Auteur

Hildegard SCHMIDT, Isabelle VINCKE, Boryana NIKOLOVA
Publicatiedatum
24-11-2015
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links