Maaltijdcheques lokale sector: het probleem van de vrijstelling

De drie Verenigingen van gemeenten vroegen in een brief aan minister van Volksgezondheid De Block om terug te keren naar de proratisering die gold tot midden 2017.

De door een werkgever toegekende maaltijdcheques zijn vrijgesteld van sociale bijdragen voor zover de voorwaarden vervat in art. 19bis, par. 2, van het KB van 28 november 1969 tegelijk vervuld zijn.

Eén van die voorwaarden is dat het aantal maaltijdcheques dat gelijk moet zijn aan het aantal dagen dat de werknemer normaal effectief werk geleverd heeft.

Volgens de regelgeving kan het aantal maaltijdcheques niet proportioneel verminderd worden tot de effectieve werktijd in geval van deeltijds werk ... behalve bij bepaalde intercommunales, rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen die bijvoorbeeld afhangen van een OCMW: voor die personeelsleden is er een berekeningswijze vastgelegd om het aantal maaltijdcheques te berekenen in verhouding tot de reële prestaties, in art. 19bis, par. 2, 2°, 4e lid van het voormelde KB.

Tot het tweede trimester 2017 liet de DIBISS een tolerantie toe, met de instemming van de RSZ, om alle lokale besturen de mogelijkheid te laten de proratisering toe te passen.

Sindsdien lijkt de RSZ zijn standpunt gewijzigd te hebben, zoals blijkt uit de nieuwe richtlijnen die stellen dat enkel "ondernemingen waarin gelijktijdig, hetzij voor prestaties van voltijdse werknemers, hetzij voor prestaties van deeltijdse werknemers, hetzij voor beide, verschillende arbeidsregelingen van toepassing zijn en die inzake meerprestaties verplicht zijn om artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 toe te passen" gebruik kunnen maken van de proratisering, wat dus de grote meerderheid van de lokale overheden uitsluit, die niet onder het toepassingsgebied van dit artikel 26bis vallen.

Advies van Brulocalis: proratisering voor de lokale sector en vraag om raadpleging

Onze Verenigingen zijn van oordeel dat de toepassing van het stelsel van proratisering zoals de federale administratie jarenlang toeliet, behouden zou moeten blijven.

Om de rechtszekerheid te verhogen, denken wij dat dit principe voortaan in de tekst van het KB van 28 november 1969 opgenomen zou moeten worden.

Wij zouden niet begrijpen dat de lokale overheden geconfronteerd worden met bijkomende kosten door de strikte toepassing van een regelgeving die bovendien risico's inhoudt op discriminerende behandeling.

Er is een objectief en terecht verschil tussen de publieke en de private sector: wij vinden dat dit onderscheid vertaald zou moeten worden in de tekst van het KB om het personeel van de lokale besturen niet te onderwerpen aan de variaties in interpretatie van het federaal niveau.

Onze Verenigingen onderstrepen dat de publieke sector en/of de statutairen vaak vergeten worden bij de opstelling van nieuwe federale arbeidswetgeving.

Het zou nuttig zijn de impact op de publieke sector en/of statutairen te analyseren bij de opstelling van nieuwe regelgeving. Daartoe is absoluut meer overleg nodig tussen de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en de FOD Personeel en Organisatie, alsook met de verschillende socialezekerheidsinstellingen.

Actie van Brulocalis

Brulocalis, de VVSG en de UVCW hebben dit standpunt beschreven in een brief van 5 oktober 2017 aan minister van Volksgezondheid De Block.

« Terug

Auteur

Philippe DELVAUX
Publicatiedatum
20-10-2017
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links