Titel III : Het personeel ( art. 143 tot 169)

I - Algemene bepalingen
II - Administratief statuut en bezoldigingsregeling
III - Benoeming
IV - Tucht van het onderwijzend personeel
IVbis - Verbodsbepalingen
V - Het personeel van de burgerlijke stand
VI - Pensioenen



Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen



Art. 143. - [De hoofdstukken II tot IV en hoofdstuk VI van deze titel zijn toepasselijk op het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet, in zover de wetten, de decreten, de verordeningen en de besluiten op het onderwijs hiervan niet afwijken (W. 21.3.1991, B.S. 13.4.1991)].

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

Art. 144. - [De algemene bepalingen, door de Koning vast te stellen [(…) (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)] krachtens art. 9, par. 1, 2e lid, en art. 13, par. 1 en 3 van de wet van 31 december 1963 betref¬fende de civiele bescherming, worden vastgesteld na raadpleging van de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van het gemeentepersoneel.

Hetzelfde geldt voor de beslissingen te nemen door de Koning krachtens art. 29 van deze wet (W. 16.7.1993, B.S. 20.7.1993)].

De modaliteiten van die raadpleging worden door de Koning geregeld.

De raadpleging bedoeld in het 1e en in het 2e lid wordt vervangen door de formaliteiten inzake onderhandeling en overleg voorgeschreven door de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel voor de personeelsleden op wie deze wet toepasselijk is verklaard.

[Art. 144bis. - In afwijking van art. 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen gemeentebesturen, ter behartiging van gemeentelijke belangen, werknemers die met hen met een arbeidsovereenkomst zijn verbonden ter beschikking stellen van een O.C.M.W., een sociale huisvestingsmaatschappij of een vereniging zonder winstoogmerk.

Om de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid te genieten moet het bestuursorgaan van de sociale huisvestingsmaatschappij of van de vereniging zonder winstoogmerk ten minste één lid tellen dat door de gemeenteraad is aangewezen.

De terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van gebruikers, toegelaten bij het eerste lid, is onderworpen aan volgende voorwaarden :

1° de terbeschikkingstelling moet een beperkte tijd hebben en betrekking hebben op een opdracht die rechtstreeks verband houdt met een gemeentelijk belang;

2° de arbeidsvoorwaarden en het loon, met inbegrip van de vergoedingen en voordelen, van de terbeschikkinggestelde werknemer mogen niet lager liggen dan deze die hij zou genieten mocht hij bij zijn werkgever zijn tewerkgesteld; gedurende de periode waarin de werknemer ter beschikking van de gebruiker wordt gesteld is de gebruiker verantwoordelijk voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, die gelden op de plaats van het werk zoals bedoeld bij art. 19 van voornoemde wet van 24 juli 1987;

3° de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling evenals de aard van de opdracht moeten worden vastgesteld in een geschrift, goedgekeurd door de gemeenteraad en ondertekend door de werkgever, de gebruiker en de werknemer nog voor het begin van de terbeschikkingstelling;

4° de terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van een gebruiker, toegelaten bij het eerste lid, is maar mogelijk voorzover de gebruiker-zelf de werknemer had kunnen aanwerven onder de voorwaarden waaronder hij is aangeworven door het gemeentebestuur (W. 12.6.2002, B.S. 2.7.2002)].


Hoofdstuk II. - Administratief statuut en bezoldigingsregeling



Art. 145. - [Par. 1. - De gemeenteraad bepaalt :

1 ° de personeelsformatie, die een opsomming omvat van het aantal statutaire betrekkingen in vijf niveaus van A tot E, en per graad;

2° het contingent van de contractuele betrekkingen, waarbij voor de gesubsidieerde betrekkingen de werkgelegenheidsmaatregel wordt vermeld ter uitvoering waarvan de betrekking wordt voorzien;

3° de voorwaarden inzake werving en bevordering van het personeel;

4° de bezoldigingsregeling en de weddeschalen van het gemeentepersoneel, met uitzondering van de personeelsleden wier bezoldigingsregeling wordt vastgesteld door deze wet of door de wet van
29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijs wetgeving;

5° de regels inzake de evaluatie van het personeel;

6° de regels inzake de interne mobiliteit van het personeel.


Par. 2. - Alle betrekkingen worden opengesteld voor aanwerving en bevordering, tenzij de gemeenteraad daar uitdrukkelijk van afwijkt.

De burgers met een andere dan de Belgische nationaliteit en die geen onderdaan zijn van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, komen in aanmerking voor de burgerlijke ambten die geen directe of indirecte deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of geen werkzaamheden omvatten strekkende tot de bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties.

[De deelname aan een selectieprocedure voor een aanwerving of bevordering mag niet afhankelijk worden gesteld van een financiële bijdrage. De kosten van examens en onderzoeken, verricht in het raam van een selectieprocedure voor een aanwerving of bevordering, zijn voor rekening van het lokale bestuur (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

Par. 3. - De gemeenteraad erkent de opleidingen van het lange type in gemeentelijk management, goedgekeurd door de Regering. Deze geven aan de diplomahouders toegang tot het examen van niveau A en geven hen recht op vrijstelling voor de gevolgde vakken.

De opleidingen, goedgekeurd door de Regering, dienen rechtstreeks verstrekt te zijn door een universiteit of in samenwerking met een of meerdere universiteiten. De cursussen moeten onder de academische verantwoordelijkheid van universiteitsprofessoren vallen, verstrekt worden op universitair niveau en de attesten of diploma’s moeten uitgereikt worden door een universitaire of interuniversitaire jury.

Par. 4. - Alle personeelsleden, ongeacht hun arbeidsrelatie, worden geëvalueerd.
De gemeenteraad kan de contractuele personeelsleden aangeworven voor een beperkte duur hiervan vrijstellen. Het contractueel personeelslid aangeworven voor een beperkte duur wordt geëvalueerd wanneer het hierom verzoekt.

Par. 5. - De Regering kan algemene voorwaarden vaststellen voor :

1 ° de personeelsformatie;

2° het contingent van de contractuele betrekkingen;

3° de wervings- en bevorderingvoorwaarden;

4° de bezoldigingsregeling en de weddeschalen;

5° de evaluatie, met dien verstande dat de gemeentelijke ambtenaren op zijn minst dezelfde graad van bescherming tegen ontslag en bijstand bij de evaluatie genieten als de wettelijke graden;

6° de interne mobiliteit.


Art. 145bis. [Par. 1. - De gemeenteraad bepaalt de regels inzake de opleiding van het personeel.

Par. 2. - Alle personeelsleden hebben recht op informatie, opleiding en de middelen die noodzakelijk zijn om de vaardigheden te ontwikkelen die dienstig zijn voor de uitoefening van hun functie en het verdere verloop van hun beroepsloopbaan.
Zij hebben de plicht om de daartoe voorziene opleidingen te volgen.

Par. 3. - De gemeenteraad verplicht alle personeelsleden die hij aanwerft binnen het jaar van hun aanstelling een opleiding te volgen over de werking van de lokale besturen, die de Regering in overleg met de gemeenten organiseert.
De verplichting bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in geval van aanwerving van personeel tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst voor een duur die minder dan 12 maanden
bedraagt.

Par. 4. - De gemeentepersoneelsleden vanaf graad A5 moeten met vrucht een door de Regering erkende opleiding in overheidsmanagement volgen.

Par. 5. - De Regering kan algemene voorwaarden vaststellen voor de opleiding van het personeel (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Art. 146. - [Par . 1. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de beslissingen betreffende de vaststelling van de personeelsformaties en de beslissingen tot vaststelling van de voorwaarden inzake werving en bevordering onderworpen aan de goedkeuring:

1° van de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en van de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wanneer de gemeente [(…) (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)] meer dan 20.000 inwoners telt, of als ze met toepassing van art. 29 is ingedeeld bij een klasse van gemeenten met meer dan 20.000 inwoners; de Koning of de Gewestexecutieve, naargelang van het geval, kan die bevoegdheid aan de provinciegouverneur overdragen voor de klassen van gemeenten die hij bepaalt; hij kan elk door de gouverneur krachtens die bevoegdheidsoverdracht genomen besluit hervormen binnen zestig dagen te rekenen van de datum waarop bij een ter post aangetekend schrijven dat besluit ter kennis van de gemeente is gebracht; hij kan die termijn met ten hoogste zestig dagen verlengen;

2° van de provinciegouverneur voor de gemeenten die niet in 1° worden bedoeld.

De beslissingen waarvoor goedkeuring vereist is zijn van rechtswege uitvoerbaar indien de toezichthoudende overheid daaraan geen goedkeuring heeft onthouden binnen negentig dagen na hun ontvangst. Die termijn kan, bij een met redenen omkleed besluit, met ten hoogste negentig dagen worden verlengd.

Par. 2. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen betreffende de vaststelling van de personeelsformaties en de beslissingen tot vaststelling van de voorwaarden inzake werving en bevordering onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269.

Par. 3. - Elk besluit houdende niet-goedkeuring moet met redenen zijn omkleed.

De besluiten van de gouverneur worden bij uittreksel in het Bestuursmemoriaal bekendgemaakt en binnen dertig dagen bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de gemeente gebracht (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 147. - Par. 1. - De bezoldigingsregeling en de weddeschalen worden onder meer vastgesteld naargelang van de belangrijkheid der ambtsopdrachten, de graad van verantwoordelijkheid en de vereiste algemene- en vakbekwaamheid en rekening houdend met de plaats welke de personeels¬leden in de hiërarchie van de gemeenteadministratie bekleden.

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen omtrent de in par. 1 bedoelde aangelegenheden onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.

Elk besluit houdende niet-goedkeuring moet met redenen zijn omkleed (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 148. - Het gemeentepersoneel geniet onder dezelfde voorwaarden als het personeel der ministeries, volgende toelagen: haard- en standplaatstoelage, kinderbijslagen, vakantiegeld en gezinsvakantiegeld [(...) (W. 16.7.1993, B.S. 20.7.1993)].


Hoofdstuk III. - Benoeming



Art. 149. - De gemeenteraad benoemt de personeelsleden wier benoeming niet bij de wet wordt geregeld. Hij kan die bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen opdragen, behalve voor:

1° de doctoren in de genees-, heel- en verloskunde en de doctoren in de veeartsenijkunde die hij met bijzondere opdrachten in het belang van de gemeente belast;

2° [de gesubsidieerde leden van het onderwijzend personeel die een bevorderingsambt of een selectieambt uitoefenen (Ord. 24.3.2016, B.S. 1.4.2016)].


Hoofdstuk IV. - [Tucht van het onderwijzend personeel (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]



Art. 150. - Par. 1. - De afzetting of de schorsing van [de leden van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] wier benoeming aan de gemeenteraad is opgedragen, behoort aan deze laatste(1)

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966:

1° worden de beslissingen houdende schorsing voor drie maanden of meer of afzetting onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad; zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd;

2° mag de bestendige deputatie van de provincieraad, wanneer de titularis van een bediening bezwaar inbrengt tegen een besluit van de gemeenteraad tot opheffing van die bediening of tot vermindering van de eraan verbonden wedden, aan die beslissing alleen haar goedkeuring onthouden voor zover de genomen maatregelen klaarblijkelijk strekken tot een bedekte afzetting.

De gemeenteraad en het benadeeld personeelslid kunnen binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provinciegouverneur de in par. 2, 1e lid, 1° en 2°, bedoelde bevoegdheden van toezicht uit, overeenkomstig de art. 267 tot en met 269.

De gemeenteraad en het benadeelde personeelslid kunnen bij de Gewestexecutieve beroep instellen tegen de beslissing van de gouverneur, binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 151. - Het college van burgemeester en schepenen kan [de leden van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] schorsen voor een termijn van ten hoogste zes weken.
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

Art. 152. - [Elke krachtens de art. 150 en 151 uitgesproken schorsing (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] heeft, zolang zij duurt, verlies van wedde ten gevolge, tenzij de overheid die ze oplegt, anders beslist.

De overheid waaraan deze wet het recht tot schorsing of afzetting van [de leden van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] toekent, kan hun de straf van waarschuwing of van berisping opleggen.

Voordat enige tuchtmaatregel - waarschuwing, berisping, schorsing of afzetting - op [een lid van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] kan worden toegepast, wordt deze gehoord; van zijn verklaringen wordt proces-verbaal opgemaakt.
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

[Hoofdstuk IVbis. - Verbodsbepalingen (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]


Art. 153. - Par. 1. - De gemeenteraad kan de klerken, beambten en vaste brandweerlieden verbieden, zelf of door een tussenpersoon, enige handel te drijven of enige bediening te vervullen waarvan de uitoefening zou worden geacht onverenigbaar te zijn met hun ambt.

[In geval van overtreding van dit verbod, kan aan het betrokken personeelslid een tuchtstraf opgelegd worden (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

[(...) (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen waardoor de gemeenteraad de in par. 1 bedoelde straffen uitspreekt, onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincie¬raad.

De betrokkene kan binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de kennisgeving die hem ervan wordt gedaan, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Ko¬ning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in be¬stuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren.

Par. 3. - Wanneer de gemeenteraad de in par. 1 bedoelde straffen niet oplegt, worden ze voor diezelfde gemeenten ambtshalve opgelegd door de provinciegouverneur, op eensluidend advies van de bestendige deputatie van de provincieraad, na twee opeenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen.

Bij ontstentenis van een eensluidend advies van de bestendige deputatie, kan de gouverneur beroep instellen bij de Koning, als het om een gemeente van het Duitse taalgebied gaat, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren.

De klerken, beambten en vaste brandweerlieden kunnen binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de hun gedane kennisgeving tegen de beslissing van de gouverneur welke hen uit hun ambt ontzet, beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].


Hoofdstuk V. - Het personeel van de burgerlijke stand



Art. 154. - De burgemeester of de schepen belast met de bediening van ambtenaar van de burgerlijke stand kan te dien einde en, naargelang van de behoeften van de dienst, één of meer door de gemeente bezoldigde beambten onder zijn gezag hebben die hij benoemt en ontslaat zonder tussenkomst van de gemeenteraad; deze moet echter altijd het aantal en de bezoldiging van die beambten bepalen.

Art. 155. - Par. 1. - In gemeenten waar één of meer betrekkingen bij de burgerlijke stand zijn, mag de raad het aantal betrekkingen en de aan elk ervan verbonden wedde niet verminderen [dan na de ambtenaar van de burgelijke stand gehoord te hebben (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheden onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad.

De gemeenteraad, de ambtenaar van de burgerlijke stand en de beambten kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving die hun daarvan gedaan is, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Koning, als het gaat om één van de gemeenten van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheden onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269.

De gemeenteraad, de ambtenaar van de burgerlijke stand en de beambten kunnen bij de Gewestexecutieve in beroep gaan tegen de beslissing van de gouverneur, en zulks binnen vijftien dagen na de kennisgeving die hun daarvan is gedaan (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Hoofdstuk VI. - Pensioenen


Art. 156. - De gemeenten zijn gehouden aan de leden van hun personeel die vast benoemd zijn, en aan hun rechthebbenden, een pensioen te verzekeren berekend volgens de regelen die op ambtenaren en beambten van het hoofdbestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken alsmede op hun rechthebbenden worden toegepast.

[Het pensioen wordt berekend op basis van de referentiewedde bepaald in art. 8, par. 1, tweede lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

Worden in aanmerking genomen ten belope van 1/50 per jaar dienst van deze referentiewedde, de diensten die betrokkene gepresteerd heeft :

1° als lid van het gemeentelijk politiekorps in de hoedanigheid van politieambtenaar bevoegd voor de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke of bestuurlijke politie of als hulpagent van politie;

2° als lid van het operationeel korps van een brandweer dat rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding (W. 3.2.2003, B.S. 13.3.2003)].

[Voor de leden van de politie die, overeenkomstig art. 238 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met verlof voorafgaand aan de pensionering zijn gegaan, wordt de verhoging van het pensioen waarin het derde lid voorziet, slechts toegestaan voor het gedeelte van het pensioen dat overeenstemt met de periode die voorafgaat aan het verlof voorafgaand aan de pensionering (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].

Art. 157. - De nieuwe gemeenten tot stand gekomen ingevolge samenvoeging of aanhechting krachtens het K.B. van 17 september 1975 houdende samenvoeging van gemeenten en wijziging van hun grenzen, bekrachtigd door de wet van 30 december 1975, zijn ertoe gehouden aan hun personeelsleden die in vast verband aangeworven en benoemd worden vanaf de datum van de installatie van de nieuwe gemeenteraad en aan hun rechtverkrijgenden een pensioen te verlenen vastgesteld en berekend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, met uitsluiting van welke gemeentelijke pensioenreglementering ook.

[Art. 157bis. - De bepalingen van de artikelen 156 en 157 zijn eveneens van toepassing op de personeelsleden in de hoedanigheid van stagiair en hun rechthebbenden voor wat betreft de stageperioden die gelegen zijn na 31 december 2012 (W. 5.5.2014, B.S. 2.6.2014)].

Art. 158. - [(…) (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Art. 159. - Wegens ziekte of gebrekkelijkheid, worden de gemeenteambtenaren onder dezelfde voorwaarden op pensioen gesteld als de ambtenaren van het hoofdbestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.

Art. 160. - In geval van vaste benoeming, worden de civiele diensten als tijdelijk beambte bewezen, aan de gemeenten, aan de instellingen die er van afhangen, aan de verenigingen van gemeenten, alsmede de diensten bewezen door de brigadecommissarissen en de gewestelijke ontvangers, in aanmerking genomen om de rechten op het pensioen van de belanghebbenden en van hun rechthebbenden vast te stellen.

Art. 161 tem 169. - [(...) (W. 24.10.2011, B.S. 3.11.2011)].

Laatste bijwerking

25.04.2016
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links