Titel XV : Over de gemeentelijke volksraadpleging (art. 318 tot 329)

Art. 318. - [De gemeenteraad kan, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de inwoners van de gemeente, beslissen de inwoners te raadplegen over de aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 117, 118, 119, 121, 122 en 135, § 2.

Het initiatief dat uitgaat van de inwoners van de gemeente moet worden gesteund door ten minste :

- 20 % van de inwoners in gemeenten met minder dan 15.000 inwoners;
- 3.000 inwoners in gemeenten met minstens 15.000 inwoners en minder dan 30.000 inwoners;
- 10 % van de inwoners in gemeenten met minstens 30.000 inwoners (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)].

Art. 319. - Elk verzoek tot het houden van een raadpleging op initiatief van de [inwoners van de gemeente (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)] dient bij aangetekende brief te worden gericht aan het college van burgemeester en schepenen.

Bij het verzoek worden een gemotiveerde nota gevoegd en de stukken die de gemeenteraad kunnen voorlichten.

Art. 320. - Het verzoek is alleen ontvankelijk als het wordt ingediend door middel van een formulier afgegeven door de gemeente en als het, buiten de naam van de gemeente en de tekst van art. 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen bevat:

1° de vraag of vragen waarop de voorgenomen raadpleging betrekking heeft;

2° de naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van eenieder die het verzoekschrift heeft ondertekend.

[3° de naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de raadpleging (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)].

Art. 321. - Onmiddellijk na ontvangst van het verzoek onderzoekt het college van burgemeester en schepenen of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen.

Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt het college van burgemeester en schepenen:

1° de dubbele handtekeningen;

2° de handtekeningen van de personen [die niet voldoen aan de in art. 322, par. 1, opgesomde voorwaarden (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)];

3° de handtekeningen van de personen ten aanzien van wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om toetsing van hun identiteit mogelijk te maken.

De controle wordt beëindigd wanneer het aantal geldige handtekeningen is bereikt.

[In dat geval organiseert de gemeenteraad een volksraadpleging (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)].

Art. 322. - [Par. 1. - Om te verzoeken om of deel te nemen aan de volksraadpleging moet men:

1° in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven of vermeld zijn;

2° de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt;

3° niet het voorwerp uitmaken van een veroordeling of beslissing die voor een gemeenteraadskiezer de uitsluiting of schorsing van het kiesrecht meebrengt.

Par. 2. - Om te verzoeken om een volksraadpleging moeten de voorwaarden vermeld in par. 1 vervuld zijn op de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend.

Om deel te nemen aan de volksraadpleging moeten de voorwaarden vermeld in par. 1, 2° en 3°, vervuld zijn op de dag van de raadpleging, en de voorwaarde vermeld in par. 1, 1°, op de datum waarop de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten.

De deelnemers die na de datum waarop de lijst van de deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten, het voorwerp zijn van een veroordeling of een beslissing die voor een gemeenteraadskiezer ofwel de uitsluiting van het kiesrecht, ofwel de schorsing van dat recht op de dag van de raadpleging meebrengt, worden van de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging geschrapt.

Par. 3. – Art. 13 van het Kieswetboek is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de in par. 1 bepaalde voorwaarden.

Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen jonger dan achttien jaar worden de kennisgevingen door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan wanneer de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou geleid hebben tot uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dit recht als ze ten laste van een gemeenteraadskiezer werd uitgesproken.

Ingeval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging is opgemaakt, wordt de betrokkene van deze lijst geschrapt.

Par. 4. - Op de dertigste dag voor de raadpleging maakt het college van burgemeester en schepenen een lijst op van deelnemers aan de volksraadpleging.

Op die lijst worden vermeld :

1° de personen die op vermelde datum in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven of vermeld zijn en de andere in par. 1 bedoelde deelnemingsvoorwaarden vervullen;

2° de deelnemers die tussen deze datum en de datum van de raadpleging de leeftijd van zestien jaar bereiken;

3° de personen voor wie de schorsing van het kiesrecht een einde neemt of zou nemen uiterlijk op de dag die is vastgesteld voor de raadpleging.

Voor elke persoon die voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden, vermeldt de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging de naam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en de hoofdverblijfplaats. De lijst wordt volgens een doorlopende nummering en eventueel per wijk van de gemeente opgemaakt, ofwel in alfabetische volgorde van de deelnemers, ofwel geografisch volgens de straten.

Par. 5. - De deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht.

Elke deelnemer heeft recht op één stem.

De stemming is geheim.

De volksraadpleging kan enkel op een zondag plaatsvinden. De deelnemers worden tot de stemming toegelaten van 8 tot 13 uur. Zij die zich voor 13 uur in het stemlokaal bevinden, worden nog tot de stemming toegelaten.

Par. 6. - Tot stemopneming wordt slechts overgegaan indien aan de raadpleging hebben deelgenomen, ten minste :

- 20 % van de inwoners in gemeenten, met minder dan 15.000 inwoners;
- 3.000 inwoners in gemeenten met minstens 15.000 inwoners en minder dan 30.000 inwoners;
- 10 % van de inwoners in gemeenten met minstens 30.000 inwoners.

Par. 7. - De bepalingen van artikel 147bis van het Kieswetboek zijn van toepassing op de gemeentelijke volksraadpleging, met dien verstande dat de woorden « kiezer » en « kiezers » steeds worden vervangen door respectievelijk de woorden « deelnemer » en « deelnemers », en de woorden « verkiezing » en « verkiezingen » door het woord « volksraadpleging » (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)].

Art. 323. - Persoonlijke aangelegenheden en aangelegenheden betreffende de rekeningen, de begro¬tingen, de gemeentebelastingen en retributies kunnen niet het onderwerp van een raadpleging zijn.

De toepassing van art. 18bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen kan evenmin het onderwerp van een raadpleging zijn.

Geen raadpleging kan worden georganiseerd in een periode van zestien maanden vóór de gewone vergadering van de kiezers voor de vernieuwing van de gemeenteraden. Bovendien kan geen raadpleging worden georganiseerd in een periode van veertig dagen vóór de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement.

De [inwoners van de gemeente (W. 13.5.1999, B.S. 1.7.1999)] kunnen slechts eenmaal om de zes maanden worden geraadpleegd, met een maximum van zes raadplegingen per zittingsperiode. Gedurende het tijdvak tussen twee vernieuwingen van de gemeenteraad kan slechts één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp worden gehouden.

Art. 324. - Een verzoek tot het houden van een raadpleging wordt op de agenda van de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen en van de gemeenteraad ingeschreven.

Tot de inschrijving wordt overgegaan nadat de controle, bedoeld in art. 321, werd afgesloten.

Het college is verplicht tot inschrijving op de agenda van de gemeenteraad over te gaan, tenzij de gemeenteraad klaarblijkelijk in generlei opzicht bevoegd is om over het verzoek te beslissen. Indien hieromtrent twijfel bestaat beslist de gemeenteraad.

Art. 325. - Elke beslissing over het houden van een volksraadpleging wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.

Het voorgaande lid is tevens van toepassing op elke beslissing die rechtstreeks betrekking heeft op een aangelegenheid die het onderwerp is geweest van een raadpleging.

Art. 326. - Ten minste één maand vóór de dag van de raadpleging stelt het gemeentebestuur aan de inwoners een brochure ter beschikking waarin het onderwerp van de raadpleging op een objectieve manier wordt uiteengezet. Deze brochure bevat bovendien de gemotiveerde nota, bedoeld in art. 319, 2e lid, alsmede de vraag of vragen waarover de inwoners zullen worden geraadpleegd.

Art. 327. - De vragen dienen op zulkdanige manier geformuleerd te zijn dat met ja of neen kan worden geantwoord.

Art. 328. - De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere procedureregels voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging, naar analogie van de procedure bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezeing van de gemeenteraadsleden.

Art. 329. - De Koning bepaalt de wijze waarop de uitslag van de raadpleging aan de bevolking bekendgemaakt wordt (W. 10.04.1995, B.S. 21.04.1995)].

Laatste bijwerking

09.07.2007
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links