Titel I : Het gemeentebestuur (art. 71 tot 116)

I - Samenstelling van het gemeentebestuur
II - De prerogatieven van de gemeenteraadsleden, de vergaderingen en de beraadslagingen van de gemeenteraad
III - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van het college van burgemeester en schepenen
IV - Bepalingen toepasselijk op de akten van de gemeenteoverheden



Hoofdstuk I. - Samenstelling van het gemeentebestuur


[...]


Afdeling 8. - Onverenigbaarheden



Art. 71. - Van een gemeenteraad kunnen geen deel uitmaken en tot burgemeester kunnen niet worden benoemd:

1° [de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondis¬sement Brussel-Hoofdstad en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant;

2° [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] de leden van het college ingesteld bij [art. 83quinquies, par. 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 m.b.t. de Brusselse instellingen (W. 11.7.1994, B.S. 19.7.1994)] (W. 16.7.1993, B.S. 20.7.1993)];

3° [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)];

4° [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)];

5° [(...) (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991) (Ord. 4.9.2008, B.S. 30.9.2008)];

6° [degenen die personeelslid zijn van of een toelage of wedde ontvangen van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)];

7° [de politieambtenaren en de ambtenaren van de openbare macht (W. 19.4.1999, B.S. 13.5.1999)];

8° de beambten van het bosbeheer, wanneer hun bevoegdheid zich uitstrekt tot beboste eigendommen die aan het bosbeheer onderworpen zijn en die toebehoren aan de gemeente waarin zij hun ambt wensen uit te oefenen.

9° [elke persoon die een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van gemeenteraadslid, schepen of burgemeester in een lokale basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie. De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] stelt een enuntiatieve lijst op van ambten of mandaten die als gelijkwaardig worden beschouwd (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)];

[De bepalingen van het eerste lid, 1° tot 8°, zijn eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die in België verblijven voor de uitoefening in een andere Lid-Staat van de Europese Unie van ambten die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze bepalingen (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)].

[Art. 71bis. - Kunnen niet verkozen worden tot voorzitter van de gemeenteraad of tot plaatsvervanger van de voorzitter van de gemeenteraad :

1° de burgemeester en de schepenen, zelfs als zij verhinderd zijn;

2° de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)].

Art. 72. - Burgemeester of schepen kunnen niet zijn:

1° de leden van de hoven, burgerlijke rechtbanken en vredegerechten;

2° de leden van het parket, de griffiers en de adjunct-griffiers bij de hoven, burgerlijke rechtbanken of rechtbanken van koophandel, en de griffiers van de vredegerechten;

3° de bedienaren van de erediensten;

4° de agenten en beambten der fiscale besturen, in de gemeenten die tot hun werk- of ambtsgebied behoren, behoudens door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] toegestane afwijking;

5° [de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarvoor het centrum bevoegd is (W. 12.8.2000, B.S. 26.8.2000)].

[Wat het mandaat van schepen betreft, zijn de bepalingen van het eerste lid eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die in België verblijven voor de uitoefening in een andere Lid-Staat van de Europese Unie van ambten die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze bepalingen (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)].

[6° de personen met een mandaatfunctie of leidende functie in het Brussels gewestelijk, gemeenschaps- of gemeenschappelijk gemeenschapsbestuur;

7° de personen met een mandaat of leidende functie in een Brusselse instelling van openbaar nut al dan niet onderworpen aan het statuut of in een intercommunale waarvan de betrokken gemeente deel uitmaakt;

8° het vast lid van het directiecomité van een Brusselse instelling van openbaar nut al dan niet onderworpen aan het statuut of van een intercommunale waarvan de betrokken gemeente deel uitmaakt (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

[Art. 72bis. - Par. 1. - In de gemeenten bedoeld in de art. 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet elk gemeenteraadslid, elke schepen, de burgemeester en eenieder die het ambt van burgemeester of schepen waarneemt, voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit te oefenen.

Par. 2. - Door het feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in par. 1 bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.

Dat vermoeden is onweerlegbaar t.a.v. elke voor het uitgeoefende mandaat rechtstreeks door de bevolking gekozen mandataris en t.a.v. de burgemeester die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van burgemeester heeft uitgeoefend.

T.a.v. andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek van een gemeenteraadslid. Daartoe moet de verzoeker het bewijs leveren van ernstige aanwijzigingen die dat vermoeden kunnen weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.

Par. 3. - Het in par. 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als burgemeester of als niet rechtstreeks gekozen schepen, of van het voor het eerst waarnemen van de functie van burgemeester of schepen, overeenkomstig art. 14, 17 of 18.

Par. 4. - De Raad van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.

Een in Ministerraad overlegd K.B. regelt de rechtspleging voor de Raad van State.

Par. 5. - Indien de Raad van State t.a.v. een burgemeester beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad, kan de betrokkene niet opnieuw tot burgemeester worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met toepassing van art. 14.

Indien de Raad van State t.a.v. degene die het ambt van burgemeester waarneemt met toepassing van art. 14 beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van burgemeester nooit te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van burgemeester vanaf de dag van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een andere schepen of door een ander gemeenteraadslid met toepassing van art. 14.

Indien de Raad van State t.a.v. een niet-rechtstreeks gekozen schepen beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad, kan de betrokkene niet opnieuw tot schepen worden gekozen, noch het ambt ervan waarnemen in toepassing van art. 17 of 18.

Indien de Raad van State t.a.v. degene die het ambt van niet rechtstreeks gekozen schepen waarneemt met toepassing van art. 17 of 18 beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van schepen niet te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van schepen vanaf de dag van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander gemeenteraadslid met toepassing van art. 17 of 18.

Par. 6. - De miskenning van de bepalingen van par. 5 door diegenen t.a.v. wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van de art. 82 en 83 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 73. - Bloed- of aanverwanten tot en met de [tweede graad (W. 12.8.2000, B.S. 26.8.2000)] of echtgenoten kunnen geen lid zijn van een zelfde gemeenteraad. Worden bloed- of aanverwanten in een van die graden of twee echt¬genoten gekozen bij een zelfde verkiezing, dan wordt de voorkeur bepaald door de grootte van de quotiënten op grond waarvan de door die kandidaten verkregen zetels aan hun lijst zijn toegekend.

Worden twee bloed- of aanverwanten in een verboden graad of twee echtgenoten gekozen, de een tot raadslid, de ander tot opvolger, dan geldt het verbod om zitting te nemen alleen voor de opvolger, tenzij de plaats waarvoor hij in aanmerking komt, is opengevallen vóór de verkiezing van zijn bloedverwant, aanverwant of echtgenoot.

Tussen opvolgers die voor opengevallen plaatsen in aanmerking komen, wordt de voorrang allereerst bepaald naar tijdsorde van de vacatures.

[(…) (W. 12.8.2000, B.S. 26.8.2000)]

Personen wier echtgenoten elkaars bloedverwanten zijn in de eerste of de tweede graad, kunnen niet tegelijk deel uitmaken van de gemeenteraad in gemeenten van 1.200 inwoners en meer.

Aanverwantschap die later tot stand komt tussen raadsleden, brengt geen verval van hun mandaat mee. Dit geldt niet bij huwelijk tussen raadsleden.

De aanverwantschap wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie zij tot stand is gekomen.

[Personen die bloed- of aanverwant zijn tot en met de derde graad, kunnen geen lid zijn van eenzelfde college van burgemeester en schepenen (W. 12.8.2000, B.S. 26.8.2000)].

Art. 74. - [Er bestaat onverenigbaarheid tussen de ambten van secretaris en ontvanger enerzijds en die van burgemeester, schepen, gemeenteraadslid, anderzijds.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 75. - De tot gemeenteraadslid gekozen kandidaat die een met het lidmaatschap van de raad onverenigbaar ambt vervult, die aan een onderneming deelneemt of een beroep of ambacht uitoefent waarvoor hij een wedde of een toelage van de gemeente ontvangt, wordt niet tot beëdiging toegelaten zolang de oorzaak van de onverenigbaarheid bestaat.

De gekozen kandidaat die binnen één maand na een tot hem gericht verzoek van het college van burgemeester en schepenen, niet afziet van het onverenigbaar ambt of van de door de gemeente verleende wedde of toelagen, wordt geacht het hem toegekende mandaat niet te aanvaarden.

Art. 76. - Een gemeenteraadslid dat een met zijn mandaat onverenigbaar ambt of een wedde of toelage van de gemeente aanvaardt, houdt op deel uit te maken van de raad met overeenkomstige toepassing van art. 10, indien hij binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van het college van burgemeester en schepenen niet afziet van het onverenigbaar ambt of van de door de gemeente verleende wedde of toelage.

Art. 77. - Indien een geschil oprijst in de gevallen van de art. 75 en 76, beslist [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] van de provincieraad [overeenkomstig artikel 75, par. 1, tweede lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

De beslissing wordt door de zorg van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van het betrokken raadslid, van het college van burgemeester en schepenen en in voorkomend geval van degenen die [bij het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bezwaren hebben ingediend.

Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Indien het college van burgemeester en schepenen in de gevallen van de art. 75 en 76 de betrokkene niet aanmaant om een keuze te doen, treedt [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] op in de plaats van het gemeentebestuur.

Art. 78. - Niemand kan [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] tegelijk secretaris en ontvanger zijn.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 79. - De bediening van gemeentesecretaris of van plaatselijk gemeenteontvanger mag niet wor¬den uitgeoefend door beambten [van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].


Afdeling 9. - Eed



Art. 80. - De gemeenteraadsleden, [de vertrouwenspersoon bedoeld in art. 12bis (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)], de burgemeesters en de schepenen leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, de volgende eed af:

"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk".

De gemeenteraadsleden en de schepenen leggen in openbare vergadering deze eed af in handen van de burgemeester of van degene die hem vervangt.

[De burgemeesters leggen de eed af ten overstaan van de Brusselse Hoofstedelijke Regering (Ord. 18.7.2002, B.S. 7.8.2002)].

Art. 81. - De in art. 80 vermelde mandatarissen die, na twee achtereenvolgende oproepingen tot het afleggen van de eed te hebben ontvangen, zich zonder wettige reden daarvan onthouden, worden geacht ontslag te hebben genomen.


Afdeling 10. - Schorsing en afzetting van burgemeesters en schepenen



Art. 82. - De Koning kan de burgemeester schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. De burgemeester wordt vooraf gehoord. De schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan.

Art. 83. - [De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan de schepenen schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. Zij worden vooraf gehoord. De schorsing mag de tijd van drie maanden niet teboven gaan (Ord. 18.7.2002, B.S. 7.8.2002)].

Als het een schepen van de gemeente Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de provincie¬gouverneur zijn beslissing zonder tussenkomst van de bestendige deputatie van de provincieraad, maar op eensluidend advies van het in art. 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.

De afgezette schepen kan eerst na verloop van twee jaren worden herkozen.


Hoofdstuk II. - [De prerogatieven van de gemeenteraadsleden, de vergaderingen en de beraadslagingen van de gemeenteraad


Afdeling 1. — De prerogatieven van de gemeenteraadsleden


Onderafdeling 1. — Het recht tot het verkrijgen van een afschrift van de documenten

Art. 84. - Par. 1. - Geen akte, geen stuk betreffende het bestuur mag aan het onderzoek van de raadsleden worden onttrokken.

Par. 2. - De gemeenteraadsleden kunnen een afschrift verkrijgen van de akten en stukken betreffende het bestuur van de gemeente onder de voorwaarden bepaald in het door de raad opgestelde huishoudelijk reglement. Het reglement bepaalt eveneens de voorwaarden waaronder de gemeentelijke instellingen en diensten toegankelijk zijn.

De vergoeding die eventueel wordt gevraagd voor het afschrift mag in geen geval meer bedragen dan de kostprijs.

Onderafdeling 2. — Het recht vragen te stellen

Art. 84bis. - Par. 1. - De gemeenteraadsleden hebben het recht aan het college van burgemeester en schepenen mondelinge en schriftelijke vragen te stellen.

Par. 2. - De tekst van deze vragen kan aan de gemeente worden bezorgd per brief, per fax, per e-mail of kan worden afgegeven op het gemeentesecretariaat. De schriftelijke vragen worden op elk moment bezorgd. De mondelinge vragen worden uiterlijk twee werkdagen voor de zitting van de gemeenteraad meegedeeld. Het huishoudelijk reglement bepaalt de voorwaarden waaronder dit recht wordt uitgeoefend. Het college van burgemeester en schepenen heeft de mogelijkheid
af te wijken van de termijn die bepaald is voor het indienen van de mondelinge vragen voor vragen die actueel worden geacht.

Par. 3. - De mondelinge en schriftelijke vragen bedoeld in par. 1 en de antwoorden daarop worden bekendgemaakt op de website van de gemeente.

Onderafdeling 3. — Het interpellatierecht

Art. 84ter. - De gemeenteraadsleden hebben het recht om het college van burgemeester en schepenen te interpelleren over de manier waarop het zijn bevoegdheden uitoefent. De interpellaties worden ingeschreven op de agenda en worden ingediend overeenkomstig artikel 97, derde lid.

Het huishoudelijk reglement bepaalt de voorwaarden waaronder dit recht wordt uitgeoefend.

De interpellaties bedoeld in het eerste lid en de antwoorden daarop worden on line op de website van de gemeente geplaatst (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].


Afdeling 2. - Vergaderingen


Art. 85. - De gemeenteraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren, het vereisen, [en ten minste tienmaal per jaar (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 86. - [De raad wordt bijeengeroepen door de voorzitter ervan of, indien hij wordt voorgezeten door de burgemeester, door het college van burgemeester en schepenen.

Op verzoek van een derde van de leden die zitting hebben, is de voorzitter van de raad of het college, naar gelang van het geval, verplicht de raad bijeen te roepen op de aangegeven dag en het aangegeven uur.

Indien gebruikgemaakt is van de mogelijkheid waarin voorzien is in art. 8bis, par. 1, stelt de voorzitter van de raad de agenda van de vergadering op. Daarin neemt hij met name de door het college meegedeelde punten op, alsook de mondelinge vragen van de raadsleden en de in art. 89bis bedoelde en regelmatig ingediende interpellaties (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)].

Art. 87. - [Par. 1. - Behalve in spoedeisende gevallen, geschiedt de oproeping per brief, via een bezorger aan huis, per fax of per elektronische post, ten minste zeven vrije dagen voor de dag van de vergadering; zij vermeldt de agenda. Deze termijn wordt evenwel tot twee vrije dagen teruggebracht voor de toepassing van artikel 90, derde lid.

De agendapunten dienen voldoende duidelijk omschreven te zijn en worden, voor de punten die dat vereisen, vergezeld van een verkla- rende synthesenota.

Par. 2. - Voor elk agendapunt, worden alle stukken die erop betrekking hebben ter plaatse ter inzage gelegd van de leden van de gemeenteraad vanaf het verzenden van de agenda.

Indien het raadslid daartoe schriftelijk heeft verzocht, worden voormelde stukken hem per elektronische post toegezonden.

Par. 3. - De gemeentesecretaris of de door hem aangewezen ambtenaren verstrekken aan de raadsleden die erom verzoeken technische inlichtingen over in het dossier voorkomende stukken. Het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 91 bepaalt de nadere regels voor het verstrekken van die technische inlichtingen.

Par. 4. - Het college van burgemeester en schepenen stelt een persoonlijk elektronisch adres ter beschikking van elk lid van de gemeenteraad (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].


[Art. 87bis. - Plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergaderingen van de gemeenteraad worden ter kennis gebracht van het publiek [, minstens (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] door aanplakking aan het gemeentehuis [en door de bekendmaking ervan op de website van de gemeente (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)], binnen dezelfde termijnen als die vermeld in de art. 87, 96 en 97, 3e lid, m.b.t. de bijeenroeping van de gemeenteraad.

De pers en belangstellende inwoners van de gemeente worden, op hun verzoek en binnen een nog lopende termijn, op de hoogte gesteld van de agenda van de gemeenteraad, eventueel tegen betaling van een vergoeding die niet meer mag bedragen dan de kostprijs. Die nog lopende termijn geldt niet voor de punten die aan de agenda worden toegevoegd na het verzenden van de oproeping overeen¬komstig art. 87.

Het reglement van orde kan nog andere wijzen van bekendmaking voorschrijven (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

[Art. 87ter. - Wanneer de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn geen lid is van de gemeenteraad, heeft hij zitting in de laatstgenoemde raad met raadgevende stem.

In afwijking van het eerste lid, heeft de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die geen lid is van de gemeenteraad geen zitting wanneer [de behandeling in besloten vergadering is bevolen met toepassing van art. 94 (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Wanneer de rekeningen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn onderzocht worden door de gemeenteraad, worden ze voorgesteld door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, ongeacht of hij al dan niet gemeenteraadslid is, en beantwoordt hij de vragen (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Art. 88. - [De voorzitter van de raad zit de vergadering van de raad voor.

Wie voorzit opent en sluit de vergadering.

Indien er voor de lopende zittingsperiode geen voorzitter van de raad gekozen is met toepassing van art. 8bis, wordt de vergadering van de gemeenteraad voorgezeten door de burgemeester of degene die hem vervangt (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)].

Art. 89. - Tenzij het reglement van orde anders bepaalt, wordt bij het openen van elke vergadering voorlezing gedaan van de notulen van de vorige vergadering.

[In elk geval worden de notulen ten minste [zeven (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)] vrije dagen vóór de dag van de vergadering ter inzage van de leden van de raad gelegd. In spoedeisende gevallen, zoals voorzien in art. 87, worden de notulen samen met de agenda ter inzage gelegd (W. 19.7.1991, B.S. 13.9.1991)].

Elk lid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over de redactie van de notulen. Indien deze opmerkingen worden aangenomen, is de secretaris ertoe gehouden staande de vergadering of ten laatste tijdens de volgende vergadering een nieuwe tekst, in overeenstemming met de beslissing van de raad, voor te leggen.

Indien er geen opmerkingen worden gemaakt vóór het einde van de vergadering worden de notulen beschouwd als goedgekeurd en worden zij ondertekend door de [voorzitter van de vergadering (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] en de secretaris.

Telkens als de raad het gewenst acht, worden de notulen geheel of gedeeltelijk staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend.

[Zodra de notulen van elke vergadering zijn goedgekeurd en ondertekend door de [voorzitter van de vergadering (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] en de gemeentesecretaris, worden ze op de website van de gemeente geplaatst.

In afwijking van het zesde lid worden de punten van de notulen die achter gesloten deuren werden behandeld krachtens de artikelen 93 en 94, niet op de website van de gemeente geplaatst (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Art. 89bis. - Par. 1. - Twintig personen die in de gemeente wonen en ten minste 16 jaar oud zijn, mogen bij de gemeenteraad een vraag om interpellatie indienen ter attentie van het college.

De interpellatie moet betrekking hebben op een onderwerp van gemeentelijk belang, mag geen uitsluitend privé-belang hebben en moet in het Nederlands of het Frans gesteld zijn.

De lijst van de verzoeken tot interpellatie wordt vóór elke vergadering meegedeeld aan de leden van de gemeenteraad.

Par. 2. - [De voorzitter van de raad of, bij ontstentenis van een met toepassing van art. 8bis gekozen voorzitter van de raad, het College (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)]  zet de interpellatie op de agenda van de volgende vergadering, in chronologische volgorde van ontvangst van de verzoeken, met dien verstande dat maximum drie interpellaties mogen worden ingeschreven op de agenda van eenzelfde vergadering.

De interpellatie betreffende een aangelegenheid die moet worden behandeld met gesloten deuren, die reeds op de agenda van de raad staat, die reeds aan bod is gekomen in een interpellatie in de laatste drie maanden, die de mensenrechten met voeten treedt of racistisch of xenofoob van aard is, is onontvankelijk.

Voor het overige, wordt de ontvankelijkheidsprocedure voor de interpellaties geregeld door de bepalingen van het huishoudelijk reglement betreffende de punten die op de agenda worden geplaatst door de leden van de raad die geen lid zijn van het college.

Par. 3. - De interpellatie moet worden gehouden aan het begin van de vergadering. De burgemeester of het lid van het college tot wiens bevoegdheden dat punt behoort, antwoordt tijdens de vergadering op de interpellatie.

Par. 4. - Voor het overige, stelt het huishoudelijk reglement de regels vast voor het indienen van de interpellaties van de inwoners en de procedure in de vergadering.

Par. 5. - De raad zorgt voor de bekendmaking van de procedure van de interpellaties van de inwoners, inzonderheid door een publicatie ad hoc (Ord. 20.7.2006, B.S. 24.8.2006)].

Art. 90. - De gemeenteraad kan geen besluit nemen, indien niet de meerderheid van de zitting¬hebbende leden aanwezig is.

De raad kan echter, indien hij tweemaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden is op¬gekomen, na een derde en laatste oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze beraadslagen en besluiten over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda voorkomen.

De tweede en de derde oproeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van art. 87, en er moet vermeld worden of de oproeping voor de tweede of voor de derde maal geschiedt; bovendien moeten de bepalingen van de twee vorige leden in de derde oproeping woordelijk worden overgenomen.

Art. 91. - [De gemeenteraad neemt een reglement van orde aan.

Behalve de bepalingen die er op basis van de onderhavige wet in opgenomen moeten worden, kan dit reglement bijkomende maatregelen bevatten i.v.m. de werking van de raad (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].


Afdeling 3. - Verbod om zitting te nemen



Art. 92. - Het is elk gemeenteraadslid en de burgemeester verboden:

1° tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.

Inzake voordrachten van kandidaten, benoemingen tot bedieningen, [en tuchtvervolgingen (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] geldt dit verbod slechts t.a.v. bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad;

2° rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige dienst, heffing van rechten, levering of aanbesteding ten behoeve van de gemeente;

3° als advocaat, notaris of zaakwaarnemer werkzaam te zijn in rechtsgedingen, tegen de gemeente ingesteld. Het is hem verboden in dezelfde hoedanigheid ten behoeve van de gemeente te pleiten, raad te geven of op te treden in enige betwiste zaak, tenzij hij het kosteloos doet;

4° tegenwoordig te zijn bij het onderzoek van de rekeningen der aan de gemeente ondergeschikte openbare besturen waarvan hij lid is [, tenzij het over het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gaat (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

[5° op te treden als raadsman van een personeelslid in tuchtzaken [of in een beroep tegen een evaluatie (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)];

6° op te treden als afgevaardigde of technicus van een vakbond in een onderhandelings- of overlegcomité van de gemeente (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

De bovenstaande bepalingen zijn mede van toepassing op de secretaris.


Afdeling 4. - Openbaarheid van de vergaderingen



Art. 93. - [De vergaderingen van de gemeenteraad zijn openbaar.

Onder voorbehoud van art. 96 kan de gemeenteraad, met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden, in het belang van de openbare orde en op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid, beslissen dat de vergadering niet openbaar is (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 94. - [De vergadering van de gemeenteraad is niet openbaar wanneer het om personen gaat.

Zodra een dergelijk punt aan de orde is, beveelt de voorzitter terstond de behandeling in besloten vergadering (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 95. - [Uitgezonderd in tuchtzaken kan de besloten vergadering slechts plaatsvinden na de openbare vergadering.

Wanneer tijdens de openbare vergadering blijkt dat de behandeling van een punt in besloten vergadering moet worden voortgezet, kan de openbare vergadering, enkel met dit doel, worden onderbroken (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 96. - [Uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering gedurende welke de gemeenteraad dient te beraadslagen over de begroting, over een begrotingswijziging of over de rekeningen, doet het college aan elk gemeenteraadslid een exemplaar toekomen van het ontwerp van begroting, van het ontwerp van begrotingswijziging of van de rekeningen.

[Het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad bepaalt de wijze waarop de voormelde documenten aan de gemeenteraadsleden worden verzonden (Ord. 15.3.2013, B.S. 22.3.2013)].

Het ontwerp wordt overgemaakt zoals het zal onderworpen worden aan de beraadslagingen van de raad, in de voorgeschreven vorm en vergezeld van de bijlagen die vereist zijn voor zijn definitieve vaststelling, met uitzondering van de bewijsstukken, wat de rekeningen betreft. Het ontwerp van begroting en de rekeningen zijn vergezeld van een verslag.

Het verslag bevat een synthese van het ontwerp van begroting of van de rekeningen. Bovendien geeft het verslag dat betrekking heeft op de begroting, het algemeen en financieel beleid van de gemeente aan en een overzicht van de toestand van het bestuur en van de gemeentezaken, alsook alle nuttige informatiegegevens, en geeft het verslag dat betrekking heeft op de rekeningen een overzicht van het beheer van de gemeentefinanciën gedurende het dienstjaar waarop die rekeningen betrekking hebben.

[(...) - (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

[Het verslag bevat bovendien informatie over de mate waarin rekening wordt gehouden met de sociale, ethische en milieuaspecten in het financieel beleid van de gemeente (Ord. 1.6.2006, B.S. 4.7.2006)].

De vergadering van de gemeenteraad is openbaar.

Vooraleer de raad beraadslaagt, geeft het college van burgemeester en schepenen een toelichting bij de inhoud van het verslag (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

[Art. 96bis. - De vertegenwoordigers van de gemeenteraad in de intercommunales met een bestuurdersfunctie dienen bij de gemeenteraad jaarlijks verslag uit te brengen over het beheer van de betrokken intercommunale en over hun eigen activiteit binnen de intercommunale (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].


Afdeling 5. - Het houden van de vergaderingen



Art. 97. - Een punt dat niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen wanneer het geringste uitstel gevaar zou kunnen opleveren.

Tot spoedbehandeling kan niet worden besloten dan door ten minste twee derden van de aanwezige leden; de namen van die leden worden in de notulen vermeld.

[Elk voorstel dat niet op de agenda voorkomt, moet uiterlijk vijf vrije dagen vóór de vergadering overhandigd worden [aan de voorzitter van de raad of, bij ontstentenis van een met toepassing van artikel 8bis gekozen voorzitter van de raad, aan de burgemeester of aan degene die hem vervangt (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] het moet vergezeld zijn van een verklarende nota of van elk document dat de raad kan voorlichten. Van deze mogelijkheid kan geen gebruik worden gemaakt door een lid van het college van burgemeester en schepenen.

[De voorzitter van de raad, bijgestaan door de gemeentesecretaris, of bij ontstentenis van een met toepassing van artikel 8bis gekozen voorzitter van de raad, de burgemeester of degene die hem vervangt, deelt de aanvullende agendapunten onverwijld mee aan de leden van de raad (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 98. - De voorzitter is belast met de handhaving van de orde in de vergadering; hij kan, na een voorafgaande waarschuwing, terstond ieder persoon uit de zaal doen verwijderen, die openlijk tekens van goedkeuring of van afkeuring geeft of op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt.

De voorzitter kan bovendien proces-verbaal opmaken tegen de overtreder en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot geldboete van een frank tot vijftien frank of tot gevangenisstraf van een dag tot drie dagen, onverminderd andere vervolgingen, indien het feit daartoe grond oplevert.


Afdeling 6. - Stemmingen



Art. 99. - [Par. 1. - (W.17.10.1990, B.S. 14.12.1990)] De besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen; bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.

[Par. 2. - De gemeenteraad stemt over de begroting in haar geheel en over de jaarrekeningen in hun geheel.

Elk lid kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer artikelen of reeksen van artikelen die hij aanwijst, indien het om de begroting gaat of over een of meer artikelen of posten die hij aanwijst, indien het om de jaarrekeningen gaat.

In dat geval mag over het geheel eerst gestemd worden na de stemming over het artikel of de artike¬len, reeksen van artikelen of posten die aldus zijn aangewezen en de stemming over het geheel heeftdan betrekking op de artikelen of posten waarover geen enkel lid afzonderlijk wenst te stemmen, en op de artikelen die reeds bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Art. 100. - [Onverminderd het 4e lid stemmen de leden van de gemeenteraad mondeling.

Het reglement van orde kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is met een mondelinge stemming. Als dusdanig worden beschouwd de mechanisch uitgebrachte naamstemming en de stemming bij zitten en opstaan of bij handopsteking.

Ongeacht de bepalingen van het reglement van orde wordt er mondeling gestemd telkens als een derde van de aanwezige leden hierom verzoekt.

Alleen de voordrachten van kandidaten, benoemingen tot ambten, terbeschikkingstellingen, preventieve schorsingen in het belang van de dienst, en tuchtstraffen geschieden bij geheime stemming en eveneens bij volstrekte meerderheid van stemmen.

De voorzitter, voor zover hij lid is van de raad, stemt het laatst.

Het voorgaande lid is niet toepasselijk bij geheime stemming (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 101. - Indien bij de benoeming of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, heeft herstemming plaats over de kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.

Te dien einde maakt de voorzitter een lijst op met tweemaal zoveel namen als er benoemingen of voordrachten moeten geschieden.

De stemmen kunnen alleen uitgebracht worden op de kandidaten die op deze lijst voorkomen.

De benoeming of de voordracht geschiedt bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de oudste kandidaat de voorkeur.


Afdeling 7. - Openbaarheid van de besluiten



Art. 102. - Aan inwoners van de gemeente [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] mag niet worden geweigerd ter plaatse inzage te nemen van de besluiten van de gemeenteraad.

De raad kan evenwel beslissen dat de met gesloten deuren genomen besluiten gedurende een bepaalde tijd geheim zullen worden gehouden.


Hoofdstuk III. - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van het college van burgemeester en schepenen


Art. 103. - De burgemeester is van rechtswege voorzitter van het college van burgemeester en schepenen.

[De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft zitting met raadgevende stem in de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen.

In afwijking van het tweede lid, heeft de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn geen zitting wanneer het gaat over aangelegenheden inzake de vestiging en de invordering van de gemeentebelastingen en inzake tuchtmaatregelen (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Art. 104. - Het college van burgemeester en schepenen vergadert op de dagen en uren door het reglement bepaald, en zo dikwijls de spoedige afdoening van de zaken het vereist.

Het mag alleen dan beraadslagen en besluiten, wanneer meer dan de helft van de leden tegenwoordig is.

[De vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen zijn niet openbaar. Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen bedoeld in art. 108: alleen de beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 105. - De oproeping voor de buitengewone vergaderingen geschiedt [per brief, via een bezorger aan huis, per fax of per elektronische post (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)], ten minste twee vrije dagen voor de dag van de vergadering.

In spoedeisende gevallen echter staat het aan de burgemeester dag en uur van de vergadering vast te stellen.

Art. 106. - De besluiten worden bij meerderheid van stemmen genomen; bij staking van stemmen verdaagt het college de zaak tot een volgende vergadering, tenzij het verkiest een lid van de gemeenteraad op te roepen naar de volgorde van inschrijving op de ranglijst.

Indien echter de meerderheid van het college vóór de behandeling de zaak spoedeisend heeft verklaard, is de stem van de voorzitter beslissend. Hetzelfde geldt wanneer op drie vergaderingen de stemmen staken over een zelfde zaak, zonder dat in het college een meerderheid verkregen is om een raadslid op te roepen.

[Art. 92, 1° en de art. 100 en 101 zijn van toepassing op de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Art. 106bis. - Indien het college van burgemeester en schepenen afwijkt van een negatief advies over de wettelijkheid dat de gemeentesecretaris heeft uitgebracht op basis van artikel 26bis, par. 1, 9°, vermeldt het dit in zijn beraadslaging en motiveert het zijn beslissing terzake. (Ord. 27.02.2014, B.S. 02.04.2014)].

Art. 107. - [In de randgemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren beslist, in afwijking van art. 106, het college van burgemeester en schepenen bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de burgemeester ter beslissing aan de gemeenteraad voorgelegd. De burgemeester kan daartoe, in afwijking van art. 86 zo nodig de gemeenteraad bijeenroepen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Hoofdstuk IV. - Bepalingen toepasselijk op de akten van de gemeenteoverheden



Afdeling 1. - Opmaken van de akten



Art. 108. - [De secretaris woont de vergaderingen van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen bij.

Hij stelt de notulen ervan op en zorgt voor de overschrijving ervan.

De overgeschreven notulen worden door de burgemeester en door de secretaris getekend (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

[De ondertekening van de notulen van de gemeenteraad geschiedt binnen de maand na de goedkeuring ervan door de gemeenteraad (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)]

[Art. 108bis. - De notulen vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, alsook het gevolg dat gegeven werd aan die punten waaromtrent de gemeenteraad geen beslissing genomen heeft. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

Art. 109. - De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van de gemeente worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de secretaris.

[De briefwisseling die geen rechtsgevolgen teweegbrengt, kan ondertekend worden door een hiertoe door het college aangewezen ambtenaar (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Art. 110. - De burgemeester kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meer leden van het college van burgemeester en schepenen. Die opdracht kan te allen tijde door de burgemeester worden herroepen.

De schepen aan wie de opdracht is gegeven, moet boven zijn handtekening, naam en functie melding maken van die opdracht.

Art. 111. - Het college van burgemeester en schepenen kan de gemeentesecretaris machtigen de me¬deondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan één of meer ambtenaren van de gemeente.

Deze opdracht geschiedt schriftelijk; de gemeenteraad wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering.

De ambtenaar aan wie de opdracht is gegeven, moet boven zijn handtekening zijn naam en zijn functie melding maken van die opdracht, op alle stukken die hij ondertekent.


Afdeling 2. - Bekendmaking van de akten



Art. 112. - [De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad, van het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester worden door laatstgenoemde bekendgemaakt door middel van een aanplakbrief en door plaatsing op de website van de gemeente.

De aanplakbrieven en de website van de gemeente, bedoeld in het eerste lid, vermelden het onderwerp van het reglement of de verordening, de datum van de beslissing waarbij het reglement of de verordening werd aangenomen, de beslissing van de toezichthoudende overheid alsmede de plaats of plaatsen waar de tekst van het reglement of de verordening ter inzage ligt van het publiek. Op de website wordt het reglement of de verordening in zijn geheel bekendgemaakt.

De burgemeester kan de akten bedoeld in het eerste lid ook bekendmaken via de pers.

De bekendmaking van een reglement of verordening op de website van de gemeente en, in voorkomend geval, via de pers, vermeldt de datum van bekendmaking via affichering (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Vanaf hun goedkeuring door de gemeenteraad, worden volgende documenten bekendgemaakt op de website van de gemeente : de gemeentelijke ontwikkelingsplannen, de gemeentelijke bestemmingsplannen, de jaarlijkse begroting en de rekeningen.

Indien de gemeenteraad beslist een gemeentelijk informatieblad op papier of in elektronisch formaat te verspreiden waarin de leden van het college mededelingen kunnen doen met betrekking tot de uitoefening van hun ambt, wordt in elke uitgave van dat blad ruimte voorbehouden om de democratische politieke lijsten of fracties die vertegenwoordigd zijn in de gemeenteraad, maar geen deel uitmaken van de gemeentelijke meerderheid, de mogelijkheid te bieden zich uit te drukken. De toepassingsmodaliteiten van deze bepaling moeten vastgelegd worden in het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad of in een aparte gemeentelijke verordening (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)]. [Een commissie samengesteld uit één vertegenwoordiger van elke democratische politieke fractie die in de gemeenteraad is vertegenwoordigd, zal belast zijn met het jaarlijks indienen van een verslag betreffende de naleving van deze bepaling (Ord. 23.6.2016, B.S. 8.7.2016)].


Art. 113. - [(...) (W. 8.4.1991, B.S. 27.4.1991)].

Art. 114. - [De reglementen en verordeningen bedoeld in art. 112 zijn verbindend de vijfde dag volgend op de dag van bekendmaking door aanplakbrief, behalve wanneer zij het anders bepalen.

De bekendmaking en de datum der bekendmaking van deze reglementen en verordeningen [via affichering (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)] moeten blijken uit de aantekening in een speciaal daartoe gehouden register op de bij [besluit van het Brussels Hoofdstedelijk Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalde wijze (W. 8.4.1991, B.S. 27.4.1991)].

[De bekendmaking van deze reglementen en verordeningen door het online plaatsen op de website van de gemeente of, in voorkomend geval, via de pers heeft geen invloed op de inwerkingtreding ervan (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Art. 115. - Het is voortaan verboden de wettelijkheid van de reglementen en verordeningen die voor 14 januari 1888 bestonden, te betwisten op grond dat zij slechts door aanplakking of omroeping zijn bekendgemaakt.


Afdeling 3. - Algemene bepalingen



Art. 116. - De handelingen van de overheden van de gemeenten mogen niet in strijd zijn met de [decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Gewesten, de Gemeenschappen en de Gemeenschapscommissies (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)] welke die overheden met de uitvoering daarvan kunnen belasten.

Laatste bijwerking

01.09.2016
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links