Titel I : Het gemeentebestuur (art. 1 tot 70)

Hoofdstuk I. - Samenstelling van het gemeentebestuur


Afdeling 1. - Algemene bepalingen


Art. 1. - Er is in iedere gemeente een gemeentebestuur, samengesteld uit raadsleden, de burgemeester en de schepenen.

Art. 2. - [De gemeenteraadsleden worden gekozen voor zes jaar, te rekenen vanaf 1 december na hun verkiezing. Ze worden geïnstalleerd tijdens de vergadering van de gemeenteraad die plaatsheeft binnen 7 dagen te rekenen vanaf 1 december. Ze zijn herkiesbaar. (Ord. 20.07.2006, B.S. 29.08.2006)]

De gemeenteraden worden om de zes jaar geheel vernieuwd.

Art. 3. - De burgemeester en de schepenen worden eveneens voor zes jaar benoemd of gekozen.

Zij verliezen echter deze hoedanigheid, indien zij intussen ophouden deel uit te maken van de gemeenteraad.

Art. 4. - De leden van het gemeentebestuur die aftreden bij een algehele vernieuwing en de ontslag¬nemende leden blijven in functie totdat de geloofsbrieven van hun opvolgers zijn onderzocht en hun installatie heeft plaatsgehad.

Bovendien moet het aftredend of ontslagnemend lid dat bekleed is met het ambt van burgemeester of schepen, dit ambt blijven uitoefenen totdat hij, hetzij als burgemeester of schepen, hetzij als gemeenteraadslid, vervangen is.

Art. 5. – [De rangschikking van de gemeenten overeenkomstig de art. 8 en 16 wordt bij elke volledige vernieuwing van de gemeenteraden door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] in overeenstemming gebracht met het bevolkingscijfer. Het in aanmerking te nemen inwonertal is het aantal personen dat ingescheven is in het Rijksregister van de natuurlijke personen die op [31 december (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] van het jaar vóór dat van de volledige vernieuwing van de gemeenteraden hun hoofdverblijfplaats in de desbetreffende gemeente hadden.

Het bevolkingscijfer dat vastgesteld is overeenkomstig het eerste lid, is eveneens van toepassing op dezelfde datum, op de rangschikkingen bedoeld in de art. 28 tot 30 evenals, voor zover zij verwijzen naar een klasse van gemeenten die gebaseerd is op het bevolkingscijfer, in de art. 19, par. 1, [42, 65, par. 1 (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

De minister van Binnenlandse Zaken maakt de bevolkingscijfers van de gemeenten van het Rijk, vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, ten laatste op 1 mei van het jaar waarin de volledige vernieuwing van de gemeenteraden plaatsvindt bekend in het Belgisch Staatsblad (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)].

Art. 6. – [(…) (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)].


Afdeling 2. - De gemeenteraadsleden


Art. 7. - De gemeenteraadsleden worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.

Art. 8. - De gemeenteraad bestaat, met inbegrip van de burgemeester en de schepenen, uit 7 leden in de gemeenten beneden 1.000 inwoners;

uit 9 leden in die van 1.000 tot 1.999 inwoners;
uit 11 leden in die van 2.000 tot 2.999 inwoners;
uit 13 leden in die van 3.000 tot 3.999 inwoners;
uit 15 leden in die van 4.000 tot 4.999 inwoners;
uit 17 leden in die van 5.000 tot 6.999 inwoners;
uit 19 leden in die van 7.000 tot 8.999 inwoners;
uit 21 leden in die van 9.000 tot 11.999 inwoners;
uit 23 leden in die van 12.000 tot 14.999 inwoners;
uit 25 leden in die van 15.000 tot 19.999 inwoners;
uit 27 leden in die van 20.000 tot 24.999 inwoners;
uit 29 leden in die van 25.000 tot 29.999 inwoners;
uit 31 leden in die van 30.000 tot 34.999 inwoners;
uit 33 leden in die van 35.000 tot 39.999 inwoners;
uit 35 leden in die van 40.000 tot 49.999 inwoners;
uit 37 leden in die van 50.000 tot 59.999 inwoners;
uit 39 leden in die van 60.000 tot 69.999 inwoners;
uit 41 leden in die van 70.000 tot 79.999 inwoners;
uit 43 leden in die van 80.000 tot 89.999 inwoners;
uit 45 leden in die van 90.000 tot 99.999 inwoners;
uit 47 leden in die van 100.000 tot 149.999 inwoners;
uit 49 leden in die van 150.000 tot 199.999 inwoners;
uit 51 leden in die van 200.000 tot 249.999 inwoners;
uit 53 leden in die van 250.000 tot 299.999 inwoners;
uit 55 leden in die van 300.000 inwoners en daarboven.

De raad blijft bestaan uit het hierboven bepaald getal leden, zelfs wanneer de burgemeester daar¬buiten benoemd wordt.

[Art. 8bis. - Par. 1. - Tijdens de vergadering als bedoeld in art. 2, eerste lid, of tijdens enige andere vergadering, kan de gemeenteraad onder zijn leden en voor de duur van de zittingsperiode zijn voorzitter en diens plaatsvervanger kiezen.

De voorzitter en plaatsvervanger worden schriftelijk voorgedragen door een meerderheid van de gekozenen van de lijst waarvoor ze zijn opgekomen en door een meerderheid van de gekozenen van de gemeenteraad. Indien de voorgedragen voorzitter of plaatsvervanger afkomstig is van een lijst die slechts twee gekozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen.

Par. 2. - Wanneer de voorzitter van de gemeenteraad tijdelijk niet in staat is om zijn functie uit te oefenen tijdens de besprekingen waaraan hij krachtens artikel 92 niet mag deelnemen of nog wanneer hij verhinderd is in de zin van art. 11, wordt de functie uitgeoefend door zijn plaatsvervanger of, bij ontstentenis, door het gemeenteraadslid dat de eerste plaats bekleedt op de ranglijst als bedoeld in art. 17 en die de onverenigbaarheden als bedoeld in artikel 71bis in acht neemt.

De voorzitter van de gemeenteraad houdt onmiddellijk op zijn functie uit te oefenen in geval van vervallenverklaring van zijn mandaat als gemeenteraadslid, een in art. 71bis bedoelde onverenigbaarheid, overlijden of ontslag. Tijdens de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad wordt dan een nieuwe voorzitter gekozen, met naleving van de voorgaande bepalingen.

Par. 3. - De gemeenteraad kan te allen tijde een motie van wantrouwen tegen de voorzitter van de gemeenteraad of zijn plaatsvervanger aannemen.

Die motie is enkel ontvankelijk indien ze een opvolger voorstelt voor degene of degenen tegen wie ze is gericht, overeenkomstig par. 1.

Ze wordt bezorgd aan de gemeentesecretaris, die ze onverwijld doorgeeft aan elk lid van de gemeenteraad en het college. Het college plaatst de bespreking en de stemming over de motie van wantrouwen op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad die plaatsheeft na de indiening ervan, voor zover na de indiening minstens een termijn van zeven dagen is verstreken.

Indien de voorzitter van de gemeenteraad of de plaatsvervanger tegen wie de motie gericht is tijdens de vergadering aanwezig is, beschikt hij over de mogelijkheid om zijn opmerkingen persoonlijk te kennen te geven, voordat de motie in stemming wordt gebracht.

Indien de motie wordt aangenomen bij meerderheid van de gemeenteraadsleden, krijgen de voorzitter van de gemeenteraad of zijn plaatsvervanger ontslag en wordt de opvolger gekozen met onmiddellijke ingang (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] .

Art. 9. - Elke gekozen kandidaat kan, nadat zijn verkiezing geldigheid heeft verkregen, voor zijn installatie afstand doen van zijn mandaat.

Om geldig te zijn moet die afstand schriftelijk ter kennis gebracht worden van de gemeenteraad.

Indien het feit van de afstand wordt betwist, doet [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] uitspraak overeenkomstig [artikel 75, par. 1, tweede lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek. (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

De beslissing wordt door de zorgen van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat.

Deze kan bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 10. - Een lid van het gemeentebestuur dat niet meer voldoet aan een van de verkiesbaarheids¬vereisten houdt op deel uit te maken van de raad.

Van de feiten die verval van het lidmaatschap kunnen meebrengen, geeft het college van burge¬meester en schepenen dadelijk kennis [aan het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en zendt van deze kennisgeving bericht aan de betrokkene, tegen ontvangbewijs.

Indien de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, zijn bediening blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen bepaald in art. 262 van het Strafwetboek.

Het gemeenteraadslid tegen wie verval van lidmaatschap wordt gevorderd, kan zijn bezwaren [bij het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] indienen binnen acht dagen nadat hij mededeling heeft gekregen van de kennis¬geving die aan dit college is gedaan.

Het verval wordt door [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] vastgesteld binnen dertig dagen nadat hetzij de kennisgeving aan dit college, hetzij een bezwaarschrift van derden [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] is ingekomen. De vormen bepaald in art. 75, 2e lid, van de gemeentekieswet worden door de bestendige deputatie in acht genomen.

Deze beslissing wordt door de zorg van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van het betrokken lid van het gemeentebestuur, van het college van burgemeester en schepenen en in voor¬komend geval van degenen die bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bezwaren hebben ingediend.

Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 11. - [Het gemeenteraadslid dat verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het college van burgemeester en schepenen, gedurende die periode vervangen.

Het gemeenteraadslid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte of de adoptie van een kind wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het college van burgemeester en schepe¬nen, vervangen, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of de adoptie. Op zijn schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur gelijk aan die gedurende dewelke hij zijn mandaat verder heeft uitge¬oefend tijdens de periode van zeven weken die de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.

[Het gemeenteraadslid dat verhinderd is wegens een ziekte die blijkt uit een medisch attest van werkonbekwaamheid van minimum twaalf weken, wordt, op zijn schriftelijk verzoek aan het college van burgemeester en schepenen, gedurende die periode vervangen door zijn opvolger.

Het gemeenteraadslid dat om studieredenen of wegens een verblijf in het buitenland gedurende ten minste twaalf weken de vergaderingen van de gemeenteraad niet kan bijwonen en tijdelijk vervangen wil worden, legt een schriftelijk verzoek voor aan het college van burgemeester en schepenen.

Het verzoek om een tijdelijke vervanging wegens verhindering om studieredenen of wegens een verblijf in het buitenland, moet worden vergezeld van een attest van de onderwijsinstelling of de opdrachtgever (Ord. 24.3.2016, B.S. 1.4.2016)].

[Het gemeenteraadslid dat, wegens een verlof voor palliatieve zorg, een verlof voor medische bijstand of het verlenen van zorg aan een familielid tot in de tweede graad dat door een ernstige ziekte getroffen wordt of aan een gezinslid dat door een ernstige ziekte getroffen wordt, zich op de vergaderingen van de gemeenteraad gedurende ten minste drie maanden wenst te laten vervangen, stuurt een schriftelijk verzoek naar het college van burgemeester en schepenen samen met verklaring op erewoord waarbij hij verklaart bijstand of zorg te willen verlenen (Ord. 24.3.2016, B.S. 1.4.2016)].
 
Het gemeenteraadslid dat verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, [wegens ouderschapsverlof, wegens een ziekte die lijdt tot afwezigheid en die blijkt uit een medisch attest van werkonbekwaamheid van minimum twaalf weken, alsook om studieredenen of wegens een verblijf in het buitenland, wegens verlof voor palliatieve zorg, wegens verlof voor medische bijstand of wegens het verlenen van zorg aan een familielid tot in de tweede graad dat door een ernstige ziekte getroffen wordt of aan een gezinslid dat door een ernstige ziekte getroffen wordt (Ord. 24.3.2016, B.S. 1.4.2016)] en om zijn vervanging verzoekt, wordt vervangen door de opvolger van zijn lijst die als eerste gerangschikt is overeen¬komstig art. 58 van de gemeentekieswet, na onderzoek van diens geloofsbrieven door de gemeente¬raad.
 
[Het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid (Ord. 24.3.2016, B.S. 1.4.2016)] zijn echter slechts toepasselijk vanaf de eerste gemeenteraads-vergadering na die waarop het gemeenteraadslid dat verhinderd is, geïnstalleerd is (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].

Art. 12. - [Par. 1. - De gemeenteraadsleden ontvangen geen wedde.

Zij trekken presentiegeld als zij deel nemen aan de vergaderingen van de gemeenteraad en aan de vergaderingen van de commissies en van de afdelingen.

[Aan de voorzitter van de gemeenteraad of aan degene die hem vervangt, met uitzondering van de burgemeester of zijn plaatsvervanger, wordt dubbel presentiegeld toegekend voor elke voorgezeten vergadering van de raad (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)].

Het bedrag van het presentiegeld wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Het presentiegeld bedraagt minimum [37,18 € (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en mag niet meer bedragen dan het presentiegeld dat de provincieraadsleden trekken als zij deelnemen aan de vergaderingen van de provincieraad, verhoogd of verlaagd volgens de geldende regels van de koppeling aan het indexcijfer (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].

[Par. 1bis. - De gemeente kan, op de door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te bepalen wijze, de presentiegelden van het gemeenteraadslid dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen geniet, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt.

De som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50 000 inwoners (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].

[Het totale bedrag van de presentiegelden als gemeenteraadslid en van de vergoedingen, bezoldigingen en presentiegelden die het gemeenteraadslid ontvangt ter vergoeding van activiteiten die worden uitgeoefend buiten zijn mandaat is gelijk aan of kleiner dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding die de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat ontvangen.

Voor de berekening van dat bedrag, worden in aanmerking genomen: de vergoedingen, bezoldigingen of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of opdracht van politieke aard.

Bij overschrijding van de in het derde lid bepaalde grens, wordt het bedrag van de in het vorige lid bedoelde vergoedingen, bezoldigingen of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of opdracht van politieke aard, navenant verminderd.

Wanneer de activiteiten die worden uitgeoefend buiten het mandaat van gemeenteraadslid beginnen of eindigen in de loop van het mandaat, brengt het gemeenteraadslid in kwestie de gemeenteraad daarvan op de hoogte (Ord. 20.7.2016, B.S. 15.9.2015)].

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de beslissingen over de in par. 1 genoemde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen over de in par. 1 genoemde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 uitoefent (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Art. 12bis. - Het raadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dit mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon gekozen uit de gemeenteraadskiezers, die aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van gemeenteraadslid voldoen, en die geen lid is van het gemeentepersoneel, noch van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de betrokken gemeente.

Voor de toepassing van het 1e lid bepaalt de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een raadslid met een handicap.

[Bij het verlenen van de bijstand, heeft de vertrouwenspersoon dezelfde verplichtingen en krijgt hij dezelfde middelen ter beschikking als het raadslid, met inbegrip van het ontvangen van presentiegeld (Ord. 20.7.2006, 22.8.2006)].

[De regering stelt de soorten handicaps vast die het raadslid recht geven op de bijstand van een specifiek opgeleide persoon, alsook de wijze en het bedrag van de vergoeding van deze persoon voor rekening van de gemeente.

Deze persoon hoeft niet noodzakelijk te worden gekozen uit de kiezers van de gemeente, of hoeft niet te voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor het mandaat van gemeenteraadslid en de eed af te leggen als bedoeld in artikel 80. De eventuele steun van andere overheden in het kader van de bijstand aan personen met een handicap wordt van zijn vergoeding afgetrokken (Ord. 20.7.2006, B.S. 22.8.2006)] (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

[Art. 12ter. - Een gemeenteraadslid of een lid van het gemeentecollege mag niet meer dan drie mandaten van bestuurder bezitten in een intercommunale.

Het aantal van drie mandaten wordt berekend door optelling van de mandaten die binnen de intercommunales bekleed worden, vermeerderd, in voorkomend geval, met de mandaten waarover de verkozene in die instellingen zou beschikken in zijn hoedanigheid van raadslid voor maatschappelijk welzijn (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].


Afdeling 3. - De burgemeester



Art. 13. - [De burgemeester wordt door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering benoemd uit de Belgische verkozenen voor de gemeenteraad, op schriftelijke voordracht van minstens de meerderheid van de verkozenen van de lijst waarop hij opgekomen is en van minstens de meerderheid van de verkozenen voor de gemeenteraad.

Indien de burgemeester overlijdt, afziet van zijn mandaat als burgemeester, zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid verliest of wordt afgezet, wordt een nieuwe kandidaat schriftelijk voorgedragen door minstens de meerderheid van degenen die op dezelfde lijst zijn verkozen en de meerderheid van de verkozenen voor de gemeenteraad, binnen twee maanden na de vacantverklaring van het mandaat.

Indien de voor het burgemeesterambt voorgedragen kandidaat afkomstig is van een lijst die slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen om, naar gelang van het geval, te voldoen aan het eerste of het tweede lid. (Ord. 20.07.2006, B.S. 29.08.2006)]

[De burgemeester kan (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] buiten de [Belgische (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] verkozenen voor de raad benoemd worden uit de [Belgische (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] gemeenteraadskiezers die volle vijfen¬twintig jaar oud zijn.

[Wat de gemeenten Komen-Waasten en Voeren betreft wordt het in het vorige lid bedoelde advies verstrekt door de provinciegouverneur, op eensluidend advies van het in art. 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

De burgemeester die buiten de raad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen. Hij is van rechtswege [lid (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] van de raad en heeft daarin een raad¬gevende stem.

[Art. 13bis. - Par. 1er. - In de randgemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wordt de voordrachtsakte van de burgemeester bevestigd door een stemming van de gemeenteraad en aan de Vlaamse Regering bezorgd. Vanaf die stemming is de kandidaat-burgemeester aangewezen-burgemeester, draagt hij de titel van "aangewezen-burgemeester" en oefent hij alle functies uit die aan de burgemeester worden toevertrouwd. Hij wordt evenwel niet als schepen vervangen, indien hij als schepen werd verkozen.

Par. 2. - Zodra de Vlaamse Regering deze voordrachtsakte die werd bevestigd door een stemming van de gemeenteraad ontvangt, beschikt zij over een termijn van zestig dagen om over te gaan tot de benoeming van de aangewezen-burgemeester of tot de mededeling van een beslissing tot weigering van de benoeming overeenkomstig par. 4.

Par. 3. - Indien de Vlaamse Regering de aangewezen-burgemeester benoemt of indien zij geen beslissing meedeelt binnen de haar toegewezen termijn, is de aangewezen-burgemeester definitief benoemd en wordt hij als schepen vervangen overeenkomstig de procedure bepaald in art. 15, par. 2, indien hij als schepen werd verkozen.

Par. 4. - Indien de Vlaamse Regering de definitieve benoeming van de betrokkene weigert, deelt zij deze beslissing tot weigering mee aan de aangewezen-burgemeester, aan de gouverneur en de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, aan de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente en aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De mededeling aan de aangewezen-burgemeester vermeldt eveneens waar het administratief dossier kan worden geraadpleegd.

Par. 5. - De aangewezen-burgemeester beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling bedoeld in par. 4 om een memorie in te dienen bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak spreekt zich uit binnen de negentig dagen na de indiening van deze memorie.

De inschrijving op de algemene rol van de Raad van State vindt plaats op het ogenblik dat de memorie wordt ingediend.

De memorie wordt gedagtekend en bevat :

1° het opschrift "memorie met betrekking tot een beslissing over de definitieve benoeming van een burgemeester van een randgemeente";

2° de naam en de woonplaats van de aangewezen-burgemeester en de gekozen woonplaats;

3° een uiteenzetting van de feiten en de middelen.

De memorie wordt niet op de rol ingeschreven indien :

1° ze niet is ondertekend of niet vergezeld gaat van vier door de ondertekenaar voor eensluidend verklaarde afschriften;

2° er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn.

In geval van toepassing van het vijfde lid, richt de hoofdgriffier aan de aangewezen-burgemeester een brief waarin meegedeeld wordt waarom de memorie niet is ingeschreven op de rol en waarbij de aangewezen-burgemeester verzocht wordt binnen vijftien dagen zijn memorie te regulariseren.

De aangewezen-burgemeester die zijn memorie regulariseert binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het zesde lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.

Een memorie die niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.

Op hetzelfde ogenblik waarop hij zijn memorie indient, stuurt de aangewezen-burgemeester een kopie daarvan ter informatie aan de Vlaamse Regering. Deze verzending stelt de termijnen niet in werking die de Vlaamse Regering in acht moet nemen.

De hoofdgriffier zendt onverwijld een afschrift van de memorie aan de Vlaamse Regering, aan de auditeur-generaal en aan de adjunct-auditeur-generaal over.

De Vlaamse Regering zendt hem binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de memorie door de hoofdgriffier het volledige administratief dossier over, waarbij zij een nota met opmerkingen kan voegen.

Eén van de exemplaren van de nota wordt door de hoofdgriffier gezonden aan de aangewezen-burgemeester en aan de leden van het auditoraat bedoeld in art. 93, par. 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Een te laat ingediende nota met opmerkingen wordt uit de debatten geweerd.

De leden van het auditoraat maken binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier een verslag op overeenkomstig art. 93, par. 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. In voorkomend geval verzoeken zij de partijen nadere uitleg te verstrekken over de punten die zij aangeven.

De eerste voorzitter of de voorzitter bepaalt na kennisneming van het verslag, bij beschikking de dag van de terechtzitting waarop de zaak wordt behandeld door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De hoofdgriffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan :

1° de leden van het auditoraat bedoeld in art. 93, par. 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

2° de Vlaamse Regering;

3° de aangewezen-burgemeester.

Het verslag wordt bij de oproeping gevoegd. De partijen en hun advocaat kunnen gedurende de in de beschikking van de eerste voorzitter of de voorzitter bepaalde tijd ter griffie inzage nemen van het dossier.

De artikelen 93, par. 5, eerste lid, 95, par. 2 tot 4, en 97, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zijn van toepassing op de procedure die wordt ingesteld door dit artikel. De artikelen 21, zesde lid, 21bis en 30, par. 3, van dezelfde gecoördineerde wetten zijn niet van toepassing.

Par. 6. - Indien de aangewezen-burgemeester geen memorie indient binnen de termijn van dertig dagen bedoeld in par. 5, eerste lid, of indien de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beslissing tot weigering bevestigt, wordt deze definitief. De gemeenteraad beschikt over dertig dagen vanaf de datum waarop de beslissing tot weigering definitief is geworden om door een stemming een nieuwe voordrachtsakte te bevestigen.

Par. 7. - Indien de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beslissing van weigering tot benoeming tenietdoet, leidt haar arrest tot de definitieve benoeming van de aangewezen-burgemeester en tot zijn vervanging als schepen overeenkomstig de procedure bepaald in art. 15, par. 2, indien hij als schepen werd verkozen.

Par. 8. - Voor alles wat niet geregeld is bij dit artikel zijn de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van toepassing (W.19.7.2013, B.S. 22.8.2013)].

Art. 14. - Bij ontstentenis of verhindering van de burgemeester wordt zijn ambt waargenomen door de eerstgekozen schepen [van Belgische nationaliteit (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)], tenzij de burgemeester zijn bevoegdheid aan een andere schepen [van Belgische nationaliteit (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] heeft opgedragen. [In geval van ambtsbeëindiging van de burgemeester die een delegatie heeft verleend, blijft deze delegatie van kracht tot de eedaflegging van een nieuwe burgemeester. Daarna is zij van rechtswege niet meer van kracht (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

[Wanneer, in de randgemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurs¬zaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, bij de installatie van de gemeenteraad na een algehele vernieuwing geen burgemeester is benoemd, wijst de gemeenteraad een schepen of een gemeenteraadslid [van Belgische nationaliteit (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van burgemeester waar te nemen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Art. 14bis. - Als verhinderd wordt beschouwd de burgemeester die het ambt van Minister, Staats¬secretaris, lid van een Executieve of gewestelijk Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.

Wordt eveneens als verhinderd beschouwd de burgemeester die als dienstplichtige zijn actieve militaire diensttijd of als gewetensbezwaarde zijn burgerdienst vervult (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].


Afdeling 4. - De schepenen



Art. 15. - Par 1. - [De schepenen worden door de raad onder de gemeenteraadsleden verkozen. Elke schepen wordt schriftelijk voorgedragen door minstens de meerderheid van degenen die op dezelfde lijst zijn verkozen en door minstens de meerderheid van de verkozen gemeenteraadsleden.

De schepenen worden geïnstalleerd tijdens de vergadering bedoeld in art. 2, eerste lid.

De rang van de schepenen wordt bepaald door de volgorde van voordracht.

Indien een schepen overlijdt, afziet van zijn mandaat als schepen, zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid verliest of wordt afgezet, wordt een nieuwe kandidaat schriftelijk voorgedragen door minstens de meerderheid van degenen die op dezelfde lijst zijn verkozen en de meerderheid van de verkozenen voor de gemeenteraad, binnen twee maanden na de vacantverklaring van het mandaat.

Indien de voor het schepenambt voorgedragen kandidaat afkomstig is van een lijst die slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen om, naar gelang van het geval, te voldoen aan het eerste of het vierde lid.

Het college van burgemeester en schepenen kan pas geïnstalleerd worden als het uit minstens één man en één vrouw bestaat. Die voorwaarde geldt voor de hele zittingsperiode. (Ord. 20.7.2006, B.S. 29.8.2006)]

Par. 2. - In afwijking van par. 1 worden de schepenen van de randgemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeente¬raadskiezers op de hierna volgende wijze:

De quotiënten verkregen met toepassing van art. 56 van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, worden in de volgorde van hun belangrijkheid gerangschikt totdat er voor alle lijsten samen zoveel quotiënten worden bereikt als er schepenen te kiezen zijn.

De verdeling over de lijsten geschiedt door aan iedere lijst zoveel schepenmandaten toe te kennen als haar stemcijfer quotiënten heeft opgeleverd, gelijk aan of hoger dan het laatst gerangschikte quotiënt.

Indien een lijst meer schepenmandaten verkrijgt dan zij kandidaten telt, worden de niet toegekende mandaten gevoegd bij die welke aan de overige lijsten toekomen; de verdeling over deze lijsten geschiedt door voortzetting van de in het eerste lid van art. 56 van de gemeentekieswet omschreven bewerking, zodat voor ieder nieuw quotiënt een mandaat wordt toegekend aan de lijst waartoe het behoort.

Het mandaat van schepen wordt toegewezen aan de tot raadslid gekozen kandidaten in de volgorde van hun verkiezing.

De rang van de schepenen wordt bepaald door de volgorde van de toewijzing van het mandaat.

De regels betreffende de ontslagneming als raadslid zijn mede van toepassing op de ontslagneming als schepen.

Wanneer een vacature ontstaat, wordt het mandaat van schepen toegewezen aan een raadslid van dezelfde lijst als die van de te vervangen schepen overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in het vijfde lid (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[In de gevallen van verhindering bedoeld in art. 18 wordt de verhinderde schepen gedurende de periode van verhindering vervangen door een raadslid aangewezen overeenkomstig het achtste lid (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].

Art. 16. - Er zijn 2 schepenen in de gemeenten van minder dan 1.000 inwoners;
3 schepenen in die van 1.000 tot 4.999 inwoners;
4 schepenen in die van 5.000 tot 9.999 inwoners;
5 schepenen in die van 10.000 tot 19.999 inwoners;
6 schepenen in die van 20.000 tot 29.999 inwoners;
7 schepenen in die van 30.000 tot 49.999 inwoners;
8 schepenen in die van 50.000 tot 99.999 inwoners;
9 schepenen in die van 100.000 tot 199.999 inwoners;
10 schepenen in die van 200.000 inwoners en daarboven.
Art. 17. - [Bij ontstentenis of verhindering van een schepen wordt deze vervangen door het gemeenteraadslid dat de eerste plaats bekleedt op de ranglijst, en zo vervolgens, [met uitzondering van de voorzitter van de raad en zijn plaatsvervanger en (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] behoudens de onverenigbaarheden in art. 72.

De ranglijst wordt opgemaakt naar de dienstouderdom van de raadsleden, te rekenen van de dag van hun eerste ambtsaanvaarding, en, bij gelijke dienstouderdom, naar het aantal stemmen verkregen bij de laatste verkiezing (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].

Art. 18. - [Als verhinderd wordt beschouwd de schepen die het ambt van Minister, Staatssecretaris, lid van een Executieve of gewestelijk Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.

De schepen die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het college van burgemeester en schepenen, gedurende die periode vervangen.

De schepen die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het college van burgemeester en schepenen, vervangen voor de periode zoals bepaald in art. 11.

[De schepen die de krachtens art. 14bis als verhinderd beschouwde burgemeester vervangt, wordt, op verzoek van het college van burgemeester en schepenen, vervangen voor de periode dat die schepen de burgemeester vervangt (W. 29.6.1992, B.S.21.7.1992)].

[De verhinderde schepen bedoeld in het 1e, 2e, 3e en 4e lid (W. 29.6.1992, B.S. 21.7.1992)], wordt, in afwijking van art. 17, vervangen door een raadslid aangewezen door de gemeenteraad overeen¬komstig art. 15, par. 1, onverminderd art. 15, par. 2, negende lid, en art. 279, 3e lid (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].


[Afdeling 4bis. - Akte van voordracht van de burgemeester, de schepenen, de voorzitter van de gemeenteraad en zijn plaatsvervanger

(Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)]

[Art. 18bis. - De akten van voordrachten moeten neergelegd worden in handen van de gemeentesecretaris, die de ontvangst ervan bevestigt. Ze moeten in overeenstemming zijn met de regels ve rvat [in art. 8bis, par. 1, (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] in art. 13, eerste lid, en in art. 15, par. 1. De akten van voordracht kunnen neergelegd worden zodra de uitslag is bekendgemaakt.

[De gemeentesecretaris bezorgt de akte van voordracht van de burgemeester aan de regering. Uiterlijk drie dagen vóór de vergadering waarop de verkiezing van de schepenen, van de voorzitter van de raad en zijn plaatsvervanger geagendeerd is, bezorgt hij, naar gelang het geval, de verschillende akten van voordracht van de schepenen, van de voorzitter van de raad en zijn plaatsvervanger. Niemand mag verschillende akten van voordracht voor eenzelfde functie ondertekenen. Alleen de akte van voordracht van een kandidaat voor een ambt van schepen, burgemeester, voorzitter of van vervanger van voorzitter van de gemeenteraad die het eerst bij de gemeentesecretaris is ingediend, is ontvankelijk (Ord. 20.07.2012, B.S. 29.08.2012)].

Afdeling 5. - Wedde en ambtskledij van de burgemeesters en schepenen


Art. 19. - Par. 1. - [De wedden van de burgemeesters worden vastgesteld door toepassing van de volgende coëfficiënten op het hoogste bedrag uit de in artikel 28 vastgestelde weddeschaal van de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente :
1° gemeenten van 5.000 inwoners en minder : 73,52941 %;
2° gemeenten van 5001 tot 10.000 inwoners : 78,43137 %;
3° gemeenten van 10.001 tot 20.000 inwoners : 83,33333 %;
4° gemeenten van 20.001 tot 50.000 inwoners : 93,13725 %;
5° gemeenten van 50.001 tot 80.000 inwoners : 102,94118 %;
6° gemeenten van meer dan 80.000 inwoners : 117,64706 % (Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)].

[Het bevolkingscijfer van de gemeenten die krachtens artikel 29 bij een hogere klasse zijn ingedeeld, wordt geacht gelijk te zijn aan het rekenkundig gemiddelde van de nieuwe klasse (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)].

De wedden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verhoogd of verlaagd overeenkomstig de voor de wedde van de gemeentesecretaris geldende regels van de koppeling aan het indexcijfer.

De wedden van de schepenen worden vastgesteld op 60 % of 75 % van die van de burgemeester van de betrokken gemeente, naargelang de bevolking van de gemeente lager of gelijk aan, dan wel hoger dan 50 000 inwoners is (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].

Voor de toepassing van het eerste lid geldt het bevolkingscijfer zoals dit blijkt uit de jongst gepubliceerde cijfers, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het bevolkingscijfer van de gemeenten die krachtens artikel 29 bij een hogere klasse zijn ingedeeld, wordt evenwel geacht gelijk te zijn aan:

- het rekenkundig gemiddelde van de nieuwe klasse, indien de klasseverheffing door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] is geschied;

- 102 pct. van het laagste bevolkingscijfer van de nieuwe klasse, indien de klasseverheffing ambtshalve is geschied.

De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt de wijze van betaling van die wedden.

[Wanneer het vaststellen van de wedden [overeenkomstig de vorige leden (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)] tot gevolg heeft dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, kan de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)], op de door Hem te bepalen wijze, de wedde van de burgemeester of van de schepen verminderen, op voorwaarde dat deze daarom verzoekt (W. 28.12.1989, B.S. 12.1.1990)].

[In gemeenten met minder dan 50 000 inwoners kan de gemeente, op de door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te bepalen wijze, de wedde van de burgemeester of van de schepen die geniet van wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt.

De wedden van de burgermeester of schepen, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde respectievelijk van een burgemeester of schepen van een gemeente met 50 000 inwoners (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].

[Par. 1bis. - Het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de burgemeesters en schepenen worden door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] vastgesteld (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].

Par. 2. - In voorkomend geval stelt de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] aanvullende regels tot vrijwaring van de verkregen rechten van de burgemeester en de schepenen die hun ambt uiterlijk op 1 juni 1976 uitoefenen.

Par. 3. - De burgemeesters en de schepenen mogen, buiten die wedde, geen bijkomende verdiensten genieten ten laste van de gemeente, om welke reden of onder welke benaming ook.

[Par 4. Indien de burgemeesters en schepenen niet zijn onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandigen, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden ze door de gemeente onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de gezinsbijslag bedoeld bij art. 5, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969.

[Worden eveneens onderworpen aan de bovenvermelde stelsels, de burgemeesters en schepenen onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen (W. 24.12.2002, B.S. 31.12.2002)].

[De werknemers- en werkgeversbijdragen bedoeld bij art. 38, par. 2, 2°, 3°, 4° en par. 3, 2°, 3° en 4°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en bij art. 18 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van hoofdstuk 1, afdeling 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen berekend op het bedrag van hun volledige wedde worden aangegeven en betaald aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (W. 23.3.2001, B.S. 5.4.2001)].

Indien de burgemeesters en de schepenen alsmede de gewezen burgemeesters en schepenen na de beëindiging van hun politiek mandaat enkel prestaties krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [kunnen genieten (W. 23.3.2001, B.S. 5.4.2001)] dan met toepassing van het art. 32, 15° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, neemt de gemeente waar ze laatst dit mandaat hebben uitgeoefend de krachtens die bepaling verschuldigde persoonlijke bijdragen ten laste.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. (W. 12.8.2000, B.S. 31.8.2000)]

Art. 20. - Wanneer een schepen de burgemeester gedurende één maand of langer vervangt, wordt hem de aan het burgemeestersambt verbonden wedde toegekend, tenzij de vervangen burgemeester verhinderd is wegens ziekte of vervulling van een niet bezoldigde openbare dienst. De waarnemende schepen mag niet tegelijk de wedde van burgemeester en die van schepen ontvangen.

Hetzelfde geldt wanneer een gemeenteraadslid gedurende een maand of langer het ambt van schepen waarneemt; in dat geval wordt de aan dit ambt verbonden wedde hem toegekend voor de gehele tijd dat hij het waarneemt.

[In de gevallen van verhindering bedoeld in de art. 14bis en 18 wordt de aan het ambt verbonden wedde toegekend aan diegene die de verhinderde burgemeester of schepen vervangt; de verhinderde burgemeester of schepen ontvangt geen wedde voor de periode van verhindering (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].

[Art. 20bis. - De som van de wedde van burgemeester of schepen en van de vergoedingen, wedden en presentiegelden, ontvangen als bezoldiging voor de door de burgemeester of schepen naast zijn mandaat uitgeoefende activiteiten, is gelijk aan of lager dan anderhalve maal het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Voor de berekening van dat bedrag komen in aanmerking de vergoedingen, de wedden of de presentiegelden voortvloeiend uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard.

Zo het in het eerste lid vastgestelde plafond wordt overgeschreden, wordt de som van de in het voorgaande lid bedoelde vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, verminderd tot het passende beloop.

Nemen de naast het mandaat van burgemeester of schepen uitgeoefende activiteiten een aanvang of een einde tijdens de duur van voornoemd mandaat, dan brengt de betrokken burgemeester of schepen de gemeenteraad daarvan op de hoogte (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].

Art. 21. - De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de burgemeesters en de schepenen.


Afdeling 6. - Ontslag als raadslid of schepen



Art. 22. - [Het ontslag als raadslid, als voorzitter of plaatsvervanger van de voorzitter van de raad of als schepen (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] wordt schriftelijk ingediend bij de gemeenteraad.

Hij die betwist dat hij als raadslid of schepen ontslag heeft genomen, kan beroep instellen bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)], die uitspraak doet overeenkomstig art. 75, 2e lid, van de gemeentekieswet.

De beslissing wordt door de zorg van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van het betrokken raadslid of van de betrokken schepen.

De betrokkene kan bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Het ontslag als burgemeester wordt ingediend bij de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en ter kennis gebracht van de raad.

De burgemeester die ontslag als raadslid wenst te nemen, mag dit ontslag bij de raad niet indienen dan nadat de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] hem ontslag als burgemeester heeft verleend.

Iedere voortijdige kennisgeving aan de raad wordt als niet-bestaande beschouwd.


Afdeling 7. - De secretaris en de ontvanger



Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 23. - Er is in elke gemeente een secretaris en een ontvanger.

Art. 24. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Onderafdeling 2. - De secretaris

A. Benoeming

Art. 25. - [Par. 1. - De secretaris wordt door de gemeenteraad benoemd, met inachtneming van de voorwaarden bepaald overeenkomstig art. 145 [of aangewezen in een mandaat overeenkomstig art. 69 (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

De benoeming geschiedt binnen zes maanden na het openvallen van de betrekking.

[Par. 1bis. - De gemeenteraad kan een secretaris buiten kader benoemen zes maanden vóór de voorzienbare datum waarop de betrekking vacant zal worden. De buiten kader benoemde secretaris treedt in functie op de dag van de beëindiging van het ambt van de aftredende secretaris. In de tussentijd staat hij laatstgenoemde bij in zijn ambt (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Par. 2. - Vooraleer in functie te treden legt de secretaris de eed, bedoeld in art. 80, af, tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad, in handen van de voorzitter.

Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt.

De secretaris die zonder wettige reden de eed niet aflegt, na daartoe bij een ter post aangetekend schrijven uitgenodigd te zijn voor de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, wordt geacht te verzaken aan zijn benoeming (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

B. Plichten - Verbodsbepalingen

Art. 26. - [De secretaris is verplicht zich te gedragen naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de gemeenteraad, [de voorzitter ervan, (Ord. 23.7.2012, B.S. 28.8.2012)] het college van burgemeester en schepenen of de burgemeester, al naar gelang hun respectieve bevoegdheden (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

[Art. 26bis. - Par 1. - De secretaris oefent in ieder geval de volgende bevoegdheden uit :

1° de algemene directie van de gemeentelijke diensten, waarvan hij voor de goede werking en de coordinatie zorgt;

2° de leiding en het dagelijkse beheer van het personeel;

3° het voorzitterschap van het directiecomité;

[4° het opstellen van de ontwerpen van personeelsformatie, van organigram, van opleidingsplannen en van arbeidsreglementen (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)];

5° de voorbereiding en de uitvoering, onder meer in het directiecomité, van de beleidshoofdlijnen vervat in de oriëntatienota bedoeld in art. 242bis ;

6° de voorbereiding van de dossiers die aan de gemeenteraad en aan het college worden voorgelegd;

7° de redactie van de notulen van de vergaderingen van de gemeenteraad en van het college, die hij bijwoont;

8° de medeondertekening van alle officiële stukken uitgaande van het gemeentebestuur, onder meer van de briefwisseling;

9° het verstrekken van juridische en administratieve adviezen aan de gemeenteraad en aan het college, onder meer in verband met de naleving van de wetten;

10° het instellen en het opvolgen van het intern controlesysteem, zoals bedoeld in titel VIbis .

Par. 2. - Ten minste na iedere goedkeuring van het driejarig plan bedoeld in art. 242bis , sluit de gemeentesecretaris, mede namens het directiecomité, een afsprakennota met het college over de wijze waarop hij, het directiecomité, de gemeenteraad en het college zullen samenwerken om de beleidsdoelstellingen te realiseren, en over de omgangsvormen tussen het college en het bestuur.

In deze afsprakennota wordt bepaald op welke wijze de secretaris de bevoegdheden uitoefent die hem werden gedelegeerd (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Art. 27. - Het is de secretaris verboden handel te drijven, ook door een tussenpersoon.

Aan op 1 januari 1955 bestaande toestanden, behalve wat drankslijterijen betreft, zal echter niet worden geraakt.

C. Bezoldigingsregeling

Art. 28. - [Par. 1. - [De gemeenteraad bepaalt de weddeschaal van de secretaris, binnen de hierna gestelde minimum- en maximumgrenzen:

1. gemeenten van minder dan 25 001 inwoners : van 34.144,50 euro tot 50.266,62 euro ;
2. gemeenten van 25 001 tot 35 000 inwoners : van 36.273,24 euro tot 53.567,34 euro ;
3. gemeenten van 35 001 tot 50 000 inwoners : van 38.484,60 euro tot 56.701,80 euro ;
4. gemeenten van 50 001 tot 80 000 inwoners : van 41.141,70 euro tot 60.167,76 euro ;
5. gemeenten van 80 001 tot 150 000 inwoners : van 43.567,26 euro tot 63.468,48 euro ;
6. gemeenten van meer dan 150 000 inwoners : van 47.246,40 euro tot 68.418,54 euro
(Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)].

De minimum- en maximumbedragen van de weddeschalen van de secretaris worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provinciegouverneur de in par. 2 vermelde bevoegdheden uit overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 29. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 30. - [De secretaris heeft recht op tweejaarlijkse verhogingen die ingaan op de eerste van de maand die volgt op de verjaardag avn de indiensttreding. De weddeverhogingen mogen niet gespreid worden over minder dan vijftien jaar (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 31. - Bij de minimumwedde van de secretaris komt een verhoging wegens de anciënniteit die hij verkregen heeft in betrekkingen bij de Staat, de kolonie, de gemeenten, de provincies en andere openbare diensten door de Koning aangewezen. Die verhoging wordt berekend volgens door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te stellen regels.

Art. 32. - De gemeenten zijn gehouden de voor het personeel van de ministeries geldende bepalingen inzake anciënniteitsbijslag, voorgeschreven bij art. 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947, en inzake jaarlijkse vakantie, op de secretaris toe te passen.

Art. 33. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 34. - De wedde van de secretaris dekt alle dienstverrichtingen waartoe hij normaal kan gehouden zijn [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 35. - De wedde van de vastbenoemde secretaris [en van de bij mandaat aangestelde secretaris (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)] wordt per maand en vooruit betaald. Zij gaat in op de dag van de indiensttreding. Treedt een secretaris in de loop van een maand in dienst, dan ontvangt hij voor die maand zoveel dertigsten van de wedde als er nog dagen overblijven vanaf de dag der indiensttreding, deze dag inbegrepen. Wanneer zijn ambt een einde neemt, wordt de begonnen maand volledig betaald.


D. [Sanctie op het verbod handel te drijven (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Art. 36 en 37. - [(...) (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

Art. 38. - [De gemeenteraad legt een tuchtstraf op aan de secretaris die art. 27 overtreedt. (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

Art. 39. - [(...) (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

Art. 40. - [Par. 1. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wordt de straf, [als de gemeenteraad geen tuchtstraf oplegt aan de secretaris die art. 27 overtreedt (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)], ambtshalve opgelegd door de provinciegouverneur, op eensluidend advies van de bestendige deputatie van de provincieraad, na twee opeenvolgende uit de brief¬wisseling blijkende waarschuwingen.

Par. 2. - Bij ontstentenis van een eensluidend advies van de bestendige deputatie kan de gouverneur beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om een van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Par. 3. - De Koning, of de Gewestexecutieve, naargelang van het geval, neemt binnen twee maanden de beslissing over het beroep van de gouverneur; die termijn kan telkens bij een met redenen omklede beslissing met een maand worden verlengd.

De beslissing over het beroep wordt met redenen omkleed (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 41. - [Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren wordt de straf, [als de gemeenteraad geen tuchtstraf oplegt aan de secretaris die art. 27 overtreedt (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)], na twee opeenvolgende uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, ambtshalve opgelegd door de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

E. De adjunct-secretaris

Art. 42. - In de gemeenten van meer dan [60.000 (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)] inwoners kan de gemeenteraad aan de secretaris een ambtenaar toevoegen, die de titel van adjunct-secretaris voert.

Art. 43. - [De art. 25 en 38 tot en met 41 zijn toepasselijk op de adjunct-secretaris (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

Art. 44. - [De adjunct-secretaris staat de secretaris ter zijde bij de uitoefening van zijn ambt.

Hij vervult van ambtswege alle taken van de secretaris wanneer deze afwezig of verhinderd is (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Art. 45 en 46. - [(...) (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Art. 47. - Par. 1. - De wedde van de adjunct-secretaris wordt door de gemeenteraad vastgesteld.

Die wedde moet lager blijven dan die welke voor de secretaris vastgesteld is.

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheid onderworpen aan dezelfde goedkeuringen als die m.b.t. de secretaris (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989).

Art. 48 en 49. - [(...) (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

F. [De waarnemende secretaris (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)]

Art. 50. - [Onverminderd de toepassing van de bepalingen van art. 44, stelt de gemeenteraad, bij verhindering van de secretaris of bij vacature van het ambt, een waarnemende secretaris aan (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)]. In spoedeisende gevallen wordt de aanstelling door het college van burgemeester en schepenen gedaan en door de raad in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigd.

Art. 51. - De [waarnemende secretaris (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)] geniet voor iedere dag dienst een wedde gelijk aan één driehonderdste van de gemiddelde jaarwedde aan het ambt verbonden, behalve indien hij uit het gemeentepersoneel wordt gekozen. In dit laatste geval ontvangt hij, indien hij het ambt gedurende meer dan een maand waarneemt, een vergoeding berekend volgens door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te stellen regels.

Onderafdeling 3. - De ontvanger

A. Algemene bepaling

Art. 52. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

B. Benoeming

Art. 53. - [Par. 1. - De plaatselijke ontvanger wordt door de gemeenteraad benoemd, met inachtneming van de voorwaarden bepaald overeenkomstig art. 145 of aangesteld in een mandaat overeenkomstig art. 69 (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

De benoeming geschiedt binnen zes maanden na het openvallen van de betrekking.

Par. 2.
- Vooraleer in functie te treden legt de plaatselijke ontvanger de eed, bedoeld in art. 80, af, tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad, in handen van de voorzitter.

Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt.

De ontvanger die zonder wettige reden de eed niet aflegt, na daartoe bij een ter post aangetekend schrijven uitgenodigd te zijn voor de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, wordt geacht te verzaken aan zijn benoeming.

Par. 3. - De plaatselijke ontvanger staat onder het gezag van het college van burgemeester en schepenen.

Par. 4. - In geval van gewettigde afwezigheid kan de plaatselijke ontvanger, onder zijn eigen verant¬woordelijkheid, binnen drie dagen voorzien in zijn vervanging en te dien einde, voor een periode van maximum dertig dagen, een door het college van burgemeester en schepenen erkende plaats¬vervanger aanstellen. Die maatregel kan voor een zelfde afwezigheid tweemaal worden verlengd.

In alle andere gevallen kan de gemeenteraad een waarnemende plaatselijke ontvanger aanstellen.

Hij is daartoe verplicht wanneer de afwezigheid een termijn van drie maanden overschrijdt.

De waarnemende plaatselijke ontvanger moet voldoen aan de voorwaarden vereist voor het uitoefenen van het ambt van plaatselijke ontvanger. De bepalingen van par. 2 en van de art. 55 tot 64 zijn mede op hem van toepassing.

De waarnemende plaatselijke ontvanger oefent alle bevoegdheden uit van de plaatselijke ontvanger.

Bij zijn ambtsaanvaarding en zijn ambtsneerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van het college van burgemeester en schepenen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Art. 54. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

[Art. 54bis. - (…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

[C. (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 55. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 56. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 57. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 58. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 59. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 60. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 61. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 62. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 63. - (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[Art. 64. -(...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

D. Bezoldigingsregeling

Art. 65. - [Par. 1. - De gemeenteraad stelt de weddeschaal van de ontvanger vast. Die weddeschaal bedraagt 97,5 % van de voor de gemeentesecretaris van dezelfde gemeente geldende schaal. De bedragen in deze weddeschaal worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]

[(...) (W. 15.12.1993, B.S. 11.1.1994)].

De bepalingen van de art. 30 tot 35 zijn mutatis mutandis van toepassing op de gemeenteontvangers (W. 18.3.1991, B.S. 19.4.1991)].

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeente Komen-Waasten en Voeren, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de gouverneur de in par. 2 bedoelde bevoegdheden uit, overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 66. - Art. 29 is toepasselijk op de plaatselijke ontvanger.

Art. 67. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 68. - [Par. 1. - Het is de plaatselijke ontvanger verboden handel te drijven, ook door een tussenpersoon.

De gemeenteraad legt een tuchtstraf op aan de plaatselijke ontvanger die het in het 1e lid bedoelde verbod overtreedt.

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, is art. 40 van toepassing op de plaatselijke ontvanger.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, is art. 41 van toepassing op de plaatselijke ontvanger (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

[Onderafdeling 4. - De regeling van de mandaten (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Art. 69. - Par. 1. - De gemeenteraad kan het ambt van secretaris en van ontvanger toewijzen bij mandaat of bij vaste benoeming.

In beide gevallen legt hij de voorwaarden en de procedure voor de aanwerving vast. Indien het ambt begeven wordt bij mandaat, legt de gemeenteraad ook de algemene doelstellingen vast die tijdens het mandaat moeten worden bereikt.

Par. 2. - Om bij mandaat begeven te worden, moet het ambt van secretaris of ontvanger vooraf vacant worden verklaard.

De duur van het mandaat is vastgesteld op acht jaar en is verlengbaar.

De gemeenteraad verlengt het mandaat wanneer de mandaathouder op de twee laatste evaluaties van zijn mandaat minstens de vermelding « gunstig » heeft verkregen.

Par. 3. - De secretaris en de ontvanger worden onderworpen aan een evaluatie volgens de procedure waarin voorzien bij artikel 70.

In afwijking van artikel 70, par. 3, vindt de laatste evaluatie voor de mandaathouders plaats zes maanden voor de beëindiging van het mandaat (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

[Art. 70. - Par. 1. - De secretaris en de ontvanger worden geëvalueerd door een evaluatiecomité, aangesteld door het college van burgemeester en schepenen. Het comité is samengesteld uit drie leden van het college van burgemeester en schepenen.

Het college van burgemeester en schepenen kan externe deskundigen aanstellen die zonder stemrecht deelnemen aan de evaluatieprocedure.

De secretaris en de ontvanger mogen zich laten bijstaan door een persoon van hun keuze tijdens het verloop van de evaluatieprocedure.

Par. 2. - Indien de evaluatievermelding toegekend door het evaluatiecomité door de secretaris of de ontvanger niet wordt aanvaard, wordt de evaluatie overgedragen aan een beroepscommissie, bestaande uit drie leden van het college van burgemeester en schepenen die geen deel uitmaakten van het evaluatiecomité, drie leden van de gemeenteraad die geen lid zijn van het college van burgemeester en schepenen, waarvan ten minste één lid niet behoort tot de meerderheid in de raad
en een externe evaluator, die voldoet aan de garantievoorwaarden vastgesteld door de Regering.

De externe evaluator dient te verschillen van de deskundige bedoeld in artikel 70, par. 1, tweede lid. Hij zetelt met stemrecht.

Par. 3. - De evaluatie heeft om de drie jaar plaats.

Par. 4. - De evaluatie geeft een oordeel over de wijze van functioneren van de secretaris en de ontvanger aan de hand van de functiebeschrijving en de evaluatiecriteria vastgesteld overeenkomstig het derde en vierde lid.

De periode van drie jaar tussen twee evaluaties wordt de evaluatieperiode genoemd.

De functiebeschrijving bedoeld in artikel 123, 15°, alsmede de door de secretaris of de ontvanger te behalen operationele doelstellingen, worden door het college van burgemeester en schepenen vastgesteld in een doelstellingennota, opgesteld na een functiegesprek. Deze doelstellingennota bevat een gedetailleerde weergave van de criteria op basis waarvan de functiehouder geëvalueerd wordt.

De doelstellingennota kan binnen elke evaluatieperiode gewijzigd worden op voorstel van het evaluatiecomité of de functiehouder na onderling overleg.

Par. 5. - Minstens een jaar voor het einde van de evaluatieperiode, stelt het evaluatiecomité, na een functioneringsgesprek met de functiehouder, een rapport op over de wijze waarop de functiehouder zijn opdracht vervult, rekening houdend met de doelstellingennota.

De functiehouder kan op elk moment om een functioneringsgesprek verzoeken.

Par. 6. - Op het einde van elke evaluatieperiode, nodigt het evaluatiecomité de functiehouder uit voor een evaluatiegesprek.

Na dit gesprek, stelt het evaluatiecomité, of in voorkomend geval de beroepscommissie, een evaluatieverslag op, waarbij een van de volgende vermeldingen wordt toegekend : « zeer gunstig », « gunstig », « onder voorbehoud », « onvoldoende ».

Par. 7. - De vermelding « zeer gunstig » kan worden toegekend wanneer de prestaties van de functiehouder de inhoud van de doelstellingennota ver overschrijden.
Twee opeenvolgende vermeldingen « zeer gunstig » geven de functiehouder recht op een toelage waarvan de toekenningsvoorwaarden vastgesteld worden door de Regering.

Par. 8. - De toekenning van de vermelding « onvoldoende » voor de eerste keer of « onder voorbehoud », leidt tot het sluiten van een vooruitgangsakkoord. Dit akkoord vermeldt de te behalen doelstellingen. Het vormt de basis voor een bijkomende evaluatie na een jaar. Deze evaluatie dient de vermelding « gunstig » of « onvoldoende » op te leveren. Is de evaluatie « onvoldoende », dan verliest de functiehouder het recht op de tweejaarlijkse loonsverhoging bedoeld in artikel 30 en dit tot aan de volgende gunstige evaluatie.

Par. 9. - Na twee opeenvolgende vermeldingen « onvoldoende », beslist de gemeenteraad tot de verklaring van beroepsongeschiktheid.

De verklaring van beroepsongeschiktheid heeft de beëindiging, door de gemeenteraad, van het mandaat tot gevolg, zonder de mogelijkheid voor de mandaathouder om deel te nemen aan de nieuwe aanstellingsprocedure voor het betrokken mandaat.

Voor de benoemde functiehouder, heeft de vaststelling van beroepsongeschiktheid het ontslag door de gemeenteraad of de terugplaatsing in een lagere graad tot gevolg.

De secretaris of de ontvanger die ontslagen wordt of wiens mandaat beëindigd wordt als gevolg van een verklaring van beroepsongeschiktheid, krijgt dezelfde bescherming in geval van ontslag als een contractueel personeelslid met dezelfde anciënniteit.

Par. 10. - In afwijking van par. 8, heeft de vermelding « onder voorbehoud » of
« onvoldoende » op de laatste evaluatie van het mandaat, zoals bepaald in artikel 69, par. 3, de beëindiging, door de gemeenteraad, van het mandaat tot gevolg. Is de laatste vermelding « onvoldoende », dan kan de mandaathouder niet deelnemen aan de nieuwe aanstellingsprocedure voor het betrokken mandaat (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

[Art. 70bis. - Er is in iedere gemeente een [directeur human resources (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)]. Hij wordt door de gemeenteraad benoemd, met inachtneming van de voorwaarden bepaald overeenkomstig artikel 145, binnen zes maanden na de vacantverklaring van de betrekking (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[B. De plichten (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Art. 70ter. - [Par. 1. - De directeur human resources is, onder het rechtstreekse hiërarchische gezag van de gemeentesecretaris, belast met het uitvoeren van het gemeentelijke beleid betreffende :

- het personeelsmanagement;

- de organisatie van de wervings- en de bevorderingsprocedures van het personeel alsmede van de examens;

- het uitdenken en uitvoeren van omschrijvingen voor typefuncties en de coôrdinatie van het vaststellen van definities voor geïndividualiseerde functies;

- het previsioneel beheer van het personeelsbestand en van de vaardigheden binnen de gemeente alsmede de uitwerking van een opleidingsbeleid voor het personeel;

- de uitwerking van een ontwerp van reglement voor de evaluatie van het personeel, alsook het goed beheer van het evaluatieproces van ieder betrokken personeelslid;

- het beheer van de interne mobiliteit binnen de gemeente;

- het opstellen van jaarverslag ten behoeve van de gemeenteraad betreffende het humanresourcesmanagement in de gemeente. (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)]

Par. 2. - De [directeur human resources (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)] kan door de gemeenteraad gehoord worden over elke vraag in verband met het beheer van het gemeentepersoneel (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].


[Afdeling 7ter. - Het directiecomité (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)]

[Art. 70quater. - Het directiecomité is samengesteld uit de gemeentesecretaris, de adjunct-gemeente¬secretaris, de gemeenteontvanger, de [directeur human resources (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)] en elke persoon die, onder het rechtstreekse hiërarchisch gezag van de gemeentesecretaris, verantwoordelijk is voor het beheer van een gemeentelijke dienst, met dien verstande dat elke dienst slechts eenmaal wordt vertegenwoordigd in het directiecomité (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Art. 70quinquies. - Het directiecomité vergadert ten minste eenmaal per maand, op uitnodiging en onder het voorzitterschap van de gemeentesecretaris die er de agenda van vaststelt. Van elke vergadering van het directiecomité wordt een verslag opgemaakt.

Het directiecomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Art. 70sexies. - Na elke vergadering van het directiecomité deelt de gemeentesecretaris de agenda en het verslag ervan mee aan het college (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Art. 70septies. - Het directiecomité is belast met :

1 ° het bijstaan van de secretaris in zijn opdracht om de werkzaamheden van de verschillende gemeentediensten onderling te coôrdineren;

2° het zorgen voor de transversale uitvoering van de beslissingen van de gemeenteraad en van het college door de betrokken gemeentediensten;

3° het geven van advies over de ontwerpen van personeelsformatie en organigram opgesteld door de secretaris overeenkomstig artikel 26bis, par. 1, 4° (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Laatste bijwerking

15.09.2016
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links