Titel II : Bevoegdheden (art. 117 tot 142)

I - Bevoegdheden van de gemeenteraad
II - Bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen
III - Bevoegdheden van de burgemeester
IV - Bevoegdheden van de gemeenten in 't algemeen
V - De ontvanger



Hoofdstuk I. - Bevoegdheden van de gemeenteraad



Art. 117. - [De gemeenteraad regelt alles wat van gemeentelijk belang is; hij beraadslaagt over elk ander onderwerp dat de hogere overheid hem voorlegt.

Alleen in de gevallen bij de wet, het decreet of de ordonnantie uitdrukkelijk bepaald, moeten de besluiten van de raad door de toezichthoudende overheid worden goedgekeurd (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

[Art. 118 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De beraadslagingen worden door een onderzoek voor¬afgegaan telkens als de Regering het geraden acht of wanneer de reglementen het voorschrijven.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

[Art. 119 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De gemeenteraad maakt de gemeentelijke reglementen van inwendig bestuur en de gemeentelijke politieverordeningen [, met uitzondering van de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer bedoeld in artikel 130bis (W. 12.1.2006, B.S. 31.1.2007; B.S. 2.2.2007, err.)].

[Die reglementen en verordeningen mogen niet in strijd zijn met de wetten, de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies [(…) (Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)] (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[(…) (Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)]

[… (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)]

Een afschrift van die reglementen en politieverordeningen wordt dadelijk toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank, waar zij in een daartoe bestemd register worden ingeschreven.

[Die reglementen en verordeningen worden bekendgemaakt op de website van het Gewest (Ord. 29.5.2008, B.S. 17.6.2008)].

[… (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)]

[Art. 119bis. - De gemeenteraad kan gemeentelijke administratieve straffen en sancties opleggen overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. (W. 24.6.2013, B.S. 1.7.2013)].

[Art. 119ter. - [(...) (W. 24.6.2013, B.S. 1.7.2013)].

[Art. 120 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - [Par. 1. - De gemeenteraad kan in zijn midden commissies oprichten die als taak hebben de besprekingen in de gemeenteraadszittingen voor te bereiden. [De commissies kunnen, ook op eigen initiatief, adviezen uitbrengen en aanbevelingen formuleren ten behoeve van de gemeenteraad met betrekking tot de zaken waarmee zij zich bezighouden (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

De mandaten van lid van iedere commissie worden evenredig verdeeld over de fracties waaruit de gemeenteraad is samengesteld; geacht worden een fractie te vormen de gemeenteraadsleden die op een zelfde lijst verkozen zijn of die verkozen zijn op lijsten die onderling verenigd zijn om een fractie te vormen; het reglement van orde, bedoeld in art. 91, bepaalt de nadere regelen voor de samenstelling [(…) (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)] van de commissies.

De commissies kunnen steeds deskundigen en belanghebbenden horen.

[Elke commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast. Het huishoudelijk reglement bepaalt onder meer de wijze van oproeping en van toewijzing van het voorzitterschap van de commissie (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Par. 2. - De gemeenteraad benoemt de leden van alle commissies die verband houden met het bestuur van de gemeente, alsmede de vertegenwoordigers van de gemeenteraad in de intercommunales en in de andere rechtspersonen waarvan de gemeente lid is. Hij kan die mandaten intrekken (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

[Art. 120bis. - [De gemeenteraad kan adviesraden instellen. Met « adviesraden » wordt bedoeld « elke vergadering van personen, ongeacht hun leeftijd, die er door de gemeenteraad wordt mee belast een advies te formuleren over een of meer vraagstukken » (W. 10.2.2000, B.S. 29.3.2000)].

Wanneer de gemeenteraad adviesraden instelt, regelt hij de samenstelling ervan naar gelang van hun taken en bepaalt hij de gevallen waarin raadpleging van die adviesraden verplicht is.

[Ten hoogste twee derde van de leden van een adviesraad is van hetzelfde geslacht.

Wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarde gesteld in het vorige lid, kan de betrokken adviesraad niet op rechtsgeldige wijze advies uitbrengen.

De gemeenteraad kan op gemotiveerd verzoek van de adviesraad afwijkingen toestaan, hetzij om functionele redenen of redenen die verband houden met de bijzondere aard van deze raad, hetzij wanneer onmogelijk kan worden voldaan aan de voorwaarde gesteld in het tweede lid. De gemeenteraad bepaalt de voorwaarden waaraan dit verzoek moet voldoen en stelt de procedure vast.

Wanneer op basis van het vorige lid geen afwijking wordt toegestaan, heeft de adviesraad vanaf de datum van weigering van de afwijking, drie maanden de tijd om te voldoen aan de voorwaarde gesteld in het tweede lid. Indien de adviesraad bij het verstrijken van deze periode niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in het tweede lid, kan de adviesraad vanaf deze datum niet op rechtsgeldige wijze advies uitbrengen.

Het college van burgemeester en schepenen dient telkens binnen het jaar na de nieuwe aanstelling van de gemeenteraad een evaluatieverslag voor te leggen aan de gemeenteraad.

Voor de adviesraden die opgericht zijn voor de inwerkingtreding van deze wet, past de gemeenteraad bij de eerstvolgende vernieuwing van de mandaten de samenstelling aan overeenkomstig de bepaling van het derde lid. Uiterlijk tegen 31 december 2001 dienen alle adviesraden deze bepaling toe te passen (W. 20.9.98, B.S. 28.10.98)].

Hij stelt hun de middelen ter beschikking die nodig zijn voor het vervullen van hun taak

(W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].

[Art. 121 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Door de gemeenteraden kunnen verordeningen tot aanvulling van de wet van 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële reglementering van de prostitutie worden vastgesteld, indien zij tot doel hebben de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren.

De door die verordeningen bepaalde misdrijven worden met politiestraffen gestraft.

[Art. 122 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De gemeenteraad heeft, onder toezicht van de hogere overheid, het beheer over de bossen en wouden van de gemeente op de wijze geregeld door de overheid die bevoegd is om het Boswetboek vast te stellen.


Hoofdstuk II. - Bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen



[Art. 123 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen is belast met:

[1° de uitvoering van de wetten, van de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, wanneer zulks bepaaldelijk aan het college is opgedragen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)];

2° de bekendmaking en uitvoering van de gemeenteraadsbesluiten;

3° het beheer van de gemeentelijke inrichtingen;

4° het beheer van de inkomsten, de afgifte van bevelschriften tot betaling van de uitgaven der gemeente en het toezicht op de boekhouding;

5° de leiding van de gemeentewerken;

6° de vaststelling van de rooilijnen van de wegen, met inachtneming van de algemene plans aangenomen door de hogere overheid, indien dergelijke plans bestaan, en behoudens beroep bij deze overheid en, in voorkomend geval, bij de rechtbanken door de personen die zich door de besluiten van de gemeenteoverheid benadeeld achten;

7° [de afgifte van de stedenbouwkundige attesten en van de bouw- en verkavelingsvergunningen, overeenkomstig de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, en de afgifte van de milieuvergunningen, overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)];

8° het voeren van de rechtsgedingen waarbij de gemeente hetzij als eiser, hetzij als verweerder betrokken is;

9° het beheer van de eigendommen der gemeente, alsmede de vrijwaring van haar rechten;

10° het toezicht op de door de gemeente bezoldigde beambten, behalve op de leden van het [lokale (W. 19.4.1999, B.S. 13.5.1999)] politiekorps;

11° het doen onderhouden van de buurtwegen en de waterlopen, overeenkomstig de wetsbepalingen en de verordeningen van de provincieoverheid.

[12° het opleggen van de in art. 119bis, par. 2, bedoelde schorsing, intrekking of sluiting (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].

[13° het vaststellen van het organigram, vergezeld van een beschrijving van de opdrachten van de diensten, met inbegrip van de identificatie van resultaats- en realisatie-indicatoren van deze opdrachten;

14° de publicatie van het organigram op de website van de gemeente;

15° de vaststelling van de type-functiebeschrijvingen van het personeel, met opgave van de opdracht alsmede de voornaamste activiteiten en vaardigheden per typefunctie;

16° de aanstelling van de leden van de examen- en selectiecommissies (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].


[Art. 124. - (…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

[Art. 125 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen is belast met het houden van de registers van de burgerlijke stand.

De burgemeester, of een schepen daartoe aangewezen door het college, vervult de bediening van ambtenaar van de burgerlijke stand en is er inzonderheid mee belast om alles wat de akten en het houden van de registers betreft, stipt te doen nakomen.

Is de gemachtigde ambtenaar van de burgerlijke stand verhinderd, dan wordt hij tijdelijk vervangen door de burgemeester, of door een schepen of een raadslid in de volgorde van de onderscheiden benoemingen.

[Art. 126 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De burgemeester en de ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen ieder wat hem betreft, beambten van het gemeentebestuur machtigen tot:

1° het afgeven van uittreksels uit of afschriften van andere akten dan die van de burgerlijke stand;

2° het afgeven van uittreksels uit de bevolkingsregisters en van getuigschriften die geheel of ten dele aan de hand van die registers zijn opgemaakt;

3° het legaliseren van handtekeningen;

4° het voor eensluidend verklaren van afschriften van stukken.

Die bevoegdheid geldt voor de stukken bestemd om in België of in het buitenland te dienen, met uitzondering van diegene die moeten gelegaliseerd worden door de Minister van Buitenlandse Betrekkingen of door de ambtenaar die hij daartoe machtigt.

Boven de handtekening van de beambten van het gemeentebestuur, aan wie de machtiging bedoeld bij dit artikel of bij art. 45 van het Burgerlijk Wetboek is verleend, moet van die machtiging melding worden gemaakt.

De ambtenaar van de burgerlijke stand kan eveneens beambten van het gemeentebestuur machtigen tot het ontvangen van betekeningen, kennisgevingen en terhandstellingen van beslissingen inzake de staat van personen.

[Art. 127 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Voor het houden van de akten van de burgerlijke stand kan de Koning, wanneer uitzonderlijke omstandigheden dit wettigen en na het advies van de bestendige deputatie van de provincieraad te hebben ingewonnen, het grondgebied van de gemeente verdelen in districten, waarvan Hij de grenzen bepaalt.

In elk district worden de akten van de burgerlijke stand opgemaakt en de registers bewaard in een speciaal daartoe bestemd lokaal.

[Daar waar toepassing is gemaakt van de inrichting van binnengemeentelijke territoriale organen overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet, vallen de districten van de burgerlijke stand daarmee automatisch samen (W. 19.3.1999, B.S. 31.3.1999)].

De jaarlijkse en tienjaarlijkse tabellen worden voor elk district afzonderlijk opgemaakt en in afschrift meegedeeld aan elk van de andere districten.

Wordt de bediening van de ambtenaar van de burgerlijke stand niet door de burgemeester uitgeoefend, dan kan het college van burgemeester en schepenen daartoe, in afwijking van art. 125, een of meer schepenen aanwijzen, die elk voor een of meer districten bevoegd zullen zijn.

[Art. 128 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen houdt toezicht op de bergen van barmhartigheid.

Te dien einde inspecteert het college die instellingen telkens als het zulks geraden acht; het waakt ervoor dat zij niet afwijken van de wil der schenkers en erflaters en doet verslag aan de gemeenteraad over aan te brengen verbeteringen en over gebleken misbruiken.

[Art. 129 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen draagt zorg voor het voorkomen en verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe in vrijheid gelaten zinnelozen en razenden aanleiding zouden kunnen geven.

[(...) (K.B. 25.1.1991, B.S. 5.3.1991)].

[Art. 130 ( W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De politie over de vertoningen behoort aan het college van burgemeester en schepenen; het kan in buitengewone omstandigheden elke vertoning verbieden ten einde de openbare rust te handhaven.

Dit college voert de verordeningen van de gemeenteraad uit voor alles wat de vertoningen betreft. De raad waakt tegen het geven van vertoningen die strijdig zijn met de openbare orde.

[Art. 130bis. - Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd voor de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer (W. 12.1.2006, B.S. 31.1.2007; B.S. 2.2.2007, err.)].

[Art. 131 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - [Par. 1. - Ten minste eenmaal in de loop van elk van de vier kwartalen van het kalenderjaar doet het college van burgemeester en schepenen of een van zijn leden die het daartoe aanwijst, verificatie van de kas van de plaatselijke ontvanger en maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin zijn opmerkingen alsmede die van de ontvanger worden vermeld. Het proces-verbaal wordt getekend door de ontvanger en de leden van het college die verificatie gedaan hebben.

Het college van burgemeester en schepenen legt het proces-verbaal aan de gemeenteraad voor.

Wanneer de plaatselijke ontvanger aansprakelijk is voor meerdere openbare kassen, wordt daarvan tegelijkertijd verificatie gedaan [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Par. 2. - De plaatselijke ontvanger brengt het college van burgemeester en schepenen zonder verwijl op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.

Er wordt zonder verwijl overgegaan tot verificatie van de kas, overeenkomstig par. 1, teneinde het bedrag van het tekort vast te stellen.

Aan het proces-verbaal van verificatie wordt toegevoegd een toelichting op de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen.

Par. 3. - Wijst verificatie uit dat er een kastekort is, onder meer als gevolg van het afwijzen van bepaalde uitgaven op definitief afgesloten rekeningen, dan verzoekt het college van burgemeester en schepenen de ontvanger, bij een ter post aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de gemeentekas te storten.

In het in par. 2 bedoelde geval moet aan dat verzoek een beslissing van de gemeenteraad voorafgaan waarin wordt vastgesteld of en in hoeverre de ontvanger voor de diefstal of het verlies aansprakelijk gesteld moet worden en waarin het bedrag van het daaruit volgende tekort wordt bepaald dat hij moet vereffenen; bij het verzoek om te betalen wordt een afschrift van de beslissing gevoegd.

Par. 4. - Binnen zestig dagen na die kennisgeving kan de ontvanger beroep instellen bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.

[Het rechtscollege doet uitspraak (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] over de aansprakelijkheid van de ontvanger en bepaalt het bedrag van het tekort dat dientengevolge te zijnen laste wordt gelegd; de Koning regelt de procedure met inachtneming van de beginselen neergelegd in art. 104bis van de provinciewet.

De ontvanger wordt van elke aansprakelijkheid ontheven wanneer het tekort ontstaan is door het afwijzen van uitgaven op definitief afgesloten rekeningen indien hij die vereffend heeft overeenkomstig art. 136, 1e lid.

Indien het tekort toe te schrijven is aan het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven, kan de ontvanger de leden van het college van burgemeester en schepenen die op onregelmatige wijze deze uitgaven gedaan of bevolen hebben, ter verantwoording roepen teneinde de beslissing voor hen bindend en tegenstelbaar te laten verklaren; in dat geval doet [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ook uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.

De beslissing van [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] wordt hoe dan ook eerst ten uitvoer gelegd na het verstrijken van de termijn bedoeld in art. 4, 3e lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; indien de ontvanger op dat ogenblik niet tot vrijwillige uitvoering is overgegaan, wordt de beslissing ten uitvoer gelegd op de zekerheid en, voor het eventueel resterend gedeelte, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde evenwel dat tegen de beslissing geen beroep is ingesteld, zoals bedoeld in art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Wanneer de ontvanger geen beroep instelt bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijn niet heeft voldaan aan het verzoek om te betalen, wordt op dezelfde wijze overgegaan tot de tenuitvoerlegging bij dwangbevel (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

[Par. 5. - In de maand die volgt op het einde van elk trimester van het burgerlijk jaar, stelt het college van burgemeester en schepenen een verslag op dat de begrotings- en boekhoudkundige gegevens herneemt. De inhoud en de nadere regels voor het bezorgen van deze verslagen worden vastgesteld door de Regering. (Ord. 27.02.2014, B.S. 02.04.2014)].


[Art. 132 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen zorgt voor de bewaring van het archief, van de titels en van de registers van de burgerlijke stand; het maakt daarvan, alsmede van de charters en andere oude bescheiden der gemeente, inventarissen op in tweevoud en belet dat enig stuk verkocht of uit de bewaarplaats weggenomen wordt.

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].


Hoofdstuk III. - Bevoegdheden van de burgemeester



[Art. 133 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - [De burgemeester is belast met de uitvoering van de wetten, de decreten, de ordonnanties, de verordeningen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, tenzij zulks uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen of aan de gemeenteraad is opgedragen.

Hij is in het bijzonder belast met de uitvoering van de politiewetten, politiedecreten, de politieordonnanties, de politieverordeningen en de politiebesluiten. Hij kan echter onder zijn verantwoordelijkheid zijn bevoegdheid geheel of ten dele overdragen aan een van de schepenen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[(...) (W. 15.7.1992, B.S. 22.12.1992)].

[Onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de gouverneur en van de bevoegde gemeentelijke instellingen, is de burgemeester de verantwoordelijke overheid inzake de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente (W. 3.4.1997, B.S. 6.6.1997)].

[Art. 133bis. - Zonder op enige wijze afbreuk te kunnen doen aan de aan de burgemeester toegekende bevoegdheden, heeft de gemeenteraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeester over de wijze waarop deze de bevoegdheden uitoefent die hem zijn verleend krachtens [art. 133, tweede en derde lid, en de art. 42, 43 en 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. In de ééngemeentezone wordt dit recht uitgebreid tot de bevoegdheden die de burgemeester zon (sic) verleend krachtens art. 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].

[(…) (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].

[Art. 134 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Par. 1. - In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven, [(…) met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden (…) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren geeft de burgemeester de provinciegouverneur onmiddellijk kennis van de in par. 1 bedoelde verordeningen, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden.

De gouverneur kan de uitvoering ervan schorsen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Art. 134bis. - Op gemotiveerd verzoek van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn beschikt de burgemeester, vanaf de aanmaning van de eigenaar, over het recht om elk gebouw, dat sedert meer dan zes maanden verlaten is, op te eisen ten einde het ter beschikking te stellen van dakloze personen. Het opeisingsrecht kan slechts uitgeoefend worden binnen een termijn van zes maand te rekenen vanaf de dag waarop de burgemeester de eigenaar op de hoogte heeft gesteld, en mits een billijke vergoeding.

De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de grenzen, de voorwaarden en de modaliteiten, volgens dewelke het opeisingsrecht kan uitgeoefend worden. Dit besluit bepaalt ook de procedure, de gebruiksduur, de modaliteiten inzake het op de hoogte stellen van de eigenaar en de mogelijkheden van laatstgenoemde tot verzet tegen de opeising, alsook de berekeningswijze inzake de vergoedingen (W. 12.1.1993, B.S. 4.2.1993)].

[Art. 134ter. - Behoudens wanneer de bevoegdheid om in geval van hoogdringendheid een voorlopige sluiting van een instelling of de tijdelijke schorsing van een vergunning uit te spreken door een bijzondere regelgeving is toevertrouwd aan een andere overheid, kan de burgemeester wanneer elke verdere vertraging een ernstig nadeel zou kunnen berokkenen, die maatregelen nemen wanneer de voorwaarden van de uitbating van de instelling of van de vergunning niet worden nageleefd en nadat de overtreder de mogelijkheid werd geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen.

Die maatregelen vervallen dadelijk indien zij door het college van burgemeester en schepenen in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.

Zowel de sluiting als de schorsing kunnen een termijn van drie maanden niet overschrijden. Na verloop van deze termijn wordt de beslissing van de burgemeester van rechtswege geheven (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].

[Art. 134quater. - Indien de openbare orde rond een voor het publiek toegankelijke inrichting wordt verstoord door gedragingen in die inrichting, kan de burgemeester besluiten deze te sluiten, voor de duur die hij bepaalt.

Die maatregelen zullen onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen worden bevestigd.

De sluiting mag een termijn van drie maanden niet overschrijden. De beslissing van de burgemeester wordt opgeheven bij het verstrijken van die termijn (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].

[Art. 134quinquies. - Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat in een inrichting feiten plaatsvinden van mensenhandel als bedoeld in art. 433quinquies van het Strafwetboek of feiten van mensensmokkel als bedoeld in art. 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke instanties, en na de middelen van verdediging van de verantwoordelijke te hebben gehoord, besluiten deze inrichting te sluiten voor de duur die hij bepaalt.

De burgemeester is gemachtigd om de inrichting te doen verzegelen indien het sluitingsbesluit niet wordt nageleefd.

Het sluitingsbesluit wordt ter kennis gebracht van de gemeenteraad op de eerste daaropvolgende zitting.

De sluitingsmaatregel duurt maximum zes maanden. Na het verstrijken van deze termijn vervalt het besluit van de burgemeester (W. 1.7.2011, B.S. 28.12.2012)].

[Art. 134sexies. - Par. 1. - De burgemeester kan, in geval van verstoring van de openbare orde veroorzaakt door individuele of collectieve gedragingen, of in geval van herhaaldelijke inbreuken op de reglementen en verordeningen van de gemeenteraad gepleegd op eenzelfde plaats of ter gelegenheid van gelijkaardige gebeurtenissen en die een verstoring van de openbare orde of een overlast met zich meebrengen, beslissen over te gaan tot een tijdelijk plaatsverbod van een maand, tweemaal hernieuwbaar, jegens de dader of de daders van deze gedragingen.

Par. 2. - Onder " tijdelijk plaatsverbod " wordt verstaan het verbod binnen te treden in een of meerdere duidelijke perimeters van plaatsen die als toegankelijk voor het publiek worden bepaald, gelegen binnen een gemeente, zonder evenwel het geheel van het grondgebied te beslaan. Worden beschouwd als plaats die toegankelijk is voor het publiek elke plaats die gelegen is in de gemeente die niet enkel toegankelijk is voor de beheerder van de plaats, voor degene die er werkt of voor degenen die er individueel worden uitgenodigd, met uitzondering van de woonplaats, de plaats van het werk of de plaats van de onderwijs- of opleidingsinstelling van de overtreder.

Par. 3. - De in par. 1 bedoelde beslissing moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° met redenen omkleed zijn op basis van de hinder die verband houdt met de openbare orde;

2° bevestigd worden door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, bij de eerstvolgende vergadering, na de dader of de daders van die gedragingen of hun raadsman te hebben gehoord en nadat hij de mogelijkheid heeft gehad ter gelegenheid hiervan zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk of mondeling te doen gelden, behalve indien hij, na te zijn uitgenodigd via een aangetekende brief, zich niet heeft gemeld en geen geldige motieven naar voren gebracht heeft voor zijn afwezigheid of zijn verhindering.

Par. 4. - De beslissing kan worden genomen, ofwel na een door de burgemeester betekende schriftelijke verwittiging die de dader of de daders van die gedragingen op de hoogte brengt van het feit dat een nieuwe inbreuk op een identieke plaats of ter gelegenheid van gelijkaardige gebeurtenissen aanleiding zal kunnen geven tot een plaatsverbod, ofwel, met het oog op de ordehandhaving, zonder verwittiging.

Par. 5
. - In geval van niet-naleving van het tijdelijk plaatsverbod, kan de dader of kunnen de daders van die gedragingen gestraft worden met een administratieve geldboete zoals voorzien door de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (W. 24.6.2013, B.S. 1.7.2013)].

[Art. 134septies. - Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat in een inrichting feiten plaatsvinden die een terroristisch misdrijf inhouden als bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke instanties en na de middelen van verdediging van de verantwoordelijke te hebben gehoord, beslissen deze inrichting te sluiten voor de duur die hij bepaalt.

De burgemeester is gemachtigd de inrichting te doen verzegelen indien het sluitingsbesluit niet wordt nageleefd.

Het sluitingsbesluit wordt op de eerstvolgende zitting bekrachtigd door het college van burgemeester en schepenen.

De sluitingsmaatregel duurt maximum zes maanden. Na het verstrijken van deze termijn heeft het besluit van de burgemeester niet langer uitwerking (W. 13.5.2017, B.S. 16.6.2017, B.S. 21.6.2017)].


[Hoofdstuk IV. - Bevoegdheden van de gemeenten in 't algemeen

(W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]

[Art. 135. - Par. 1. - Tot de bevoegdheden van de gemeenten behoren inzonderheid : het beheer van de goederen en inkomsten van de gemeente; de vaststelling en de verrichting van de plaatselijke uitgaven die met de gelden van de gemeente dienen te worden betaald; het ontwerpen en het doen uitvoeren van de openbare werken die ten laste van de gemeente vallen; het beheer van de inrichtingen die aan de gemeente toebehoren, die op haar kosten worden onderhouden of die in het bijzonder bestemd zijn voor het gebruik van haar inwoners.

Par. 2. - De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.

Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:

1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;

2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;

3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drank¬gelegenheden, kerken en andere openbare plaatsen;

4° het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;

5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;

6° het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

[7° het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].

[Par. 3. - De gemeenten zijn ertoe gehouden hun inwoners een bestuur te bieden met een aangepaste toegangswijze en beschikbaarheid door meer uitgebreide openingsuren, minstens één dag per week, en door een dienstverlening via het internet (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].


[Hoofdstuk V (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De ontvanger



Afdeling 1. - Bepalingen die voor alle ontvangers gelden



Art. 136. - [Par. 1. - De gemeenteontvanger wordt alleen en onder zijn verantwoordelijkheid belast met :

1°het houden van de boekhouding van de gemeente en het opstellen van de jaarrekeningen;

2° de invordering van de ontvangsten van de gemeente;

3° het innen van de regelmatige schuldvorderingen;

4° de heffing, in voorkomend geval door een gedwongen tenuitvoerlegging, van de gemeentebelastingen, met toepassing van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen;

5° het beheer van de rekeningen geopend namens de gemeente en van de algemene kasmiddelen van de gemeente;

6° het beleggen op korte termijn van de thesauriemiddelen;

7° de centralisatie van de vastleggingen;

8° de betaling van de uitgaven tegen regelmatige bevelschriften (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Indien de ontvanger weigert het bedrag van regelmatige bevelschriften te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling vervolgd, zoals inzake directe belastingen, door de rijksontvanger, nadat de bestendige deputatie van de provincieraad, die de ontvanger oproept en hem vooraf hoort indien hij zich aanmeldt, de bevelschriften uitvoerbaar heeft verklaard (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

[9° het uitbrengen van een jaarlijks verslag over de financiële toestand van de gemeente. Dit verslag wordt gevoegd bij het ontwerp van begroting zoals dit aan de gemeenteraad ter goedkeuring wordt voorgelegd (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

[Par. 2. - Onverminderd de bevoegdheid van de gemeentesecretaris met betrekking tot het intern controlesysteem, zoals bedoeld in titel VIbis, kan het college aan de gemeenteontvanger om het even welke andere opdracht toevertrouwen die verband houdt met zijn bevoegdheden, onder meer inzake financieel beheer. In het kader van deze opdrachten staat de ontvanger onder het gezag van het college (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

[Art. 136bis. - De ontvanger kan door het college van burgemeester en schepenen gehoord worden over al de aangelegenheden die een financiële of budgettaire weerslag hebben (W. 15.12.1993, B.S. 11.1.1994)].

Art. 137. - [Op verzoek van de ontvanger van een gemeente moet de invordering van de aan deze gemeente verschuldigde belastingen tegen de belastingplichtigen, die hun woonplaats hebben in de andere gemeente, vervolgd worden door de ontvanger van deze laatste.

De door de vervolgende gemeente veroorzaakte kosten, die niet geïnd werden ten laste van de belastingplichtige, worden door de aanvragende gemeente ten laste genomen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

[Art. 137bis. - Met het oog op de invordering van onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen, kan de ontvanger een door het college van burgemeester en schepenen geviseerd en uitvoerbaar verklaard dwangbevel uitvaardigen. Een dergelijk dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring. Een dwangbevel mag door het college slechts geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden als de schuld opeisbaar, definitief en zeker is. Bovendien moet de schuldenaar vooraf bij aangetekend schrijven in gebreke gesteld worden. De gemeente kan administratieve kosten voor dat aangetekend schrijven aanrekenen. Die kosten komen voor rekening van de schuldenaar en kunnen eveneens bij dwangbevel
ingevorderd worden. De schulden van publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen nooit bij dwangbevel ingevorderd worden.

Tegen het exploot kan bij verzoekschrift of door dagvaarding beroep ingesteld worden binnen de maand van de betekening.

Met betrekking tot de vervulling van de opdrachten, bedoeld in dit artikel, rapporteert de ontvanger op eigen verantwoordelijkheid aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemeenteraad (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Art. 138. - [Par. 1. - De ontvanger is niet aansprakelijk voor de ontvangsten die de gemeenteraad doet invorderen door bijzondere agenten [ (...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

[(...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

Op het stuk van de eed, de vervanging, het opmaken van de eindrekening en het beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad gelden voor de bijzondere agenten dezelfde regels als voor de plaatselijke ontvangers; de art. 53, par. 2 en 4, en 138bis zijn van overeenkomstige toepassing op hen.

Op de gelden die zij beheren, mogen zij geen uitgaven doen.

De geïnde ontvangsten worden op gezette tijden, en ten minste iedere veertien dagen, aan de ontvanger van de gemeente gestort; de laatste storting van het dienstjaar moet geschieden de laatste werkdag van de maand december.

Bij elke storting zendt de bijzondere agent aan de gemeenteontvanger de gedetailleerde lijst over van de budgettaire aanrekeningen, van de gestorte bedragen en van de desbetreffende belasting¬plichtigen.

De rekeningen van de bijzondere agent met de verantwoordingsstukken worden voor verificatie en visering voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen.

Vervolgens worden ze samen met alle verantwoordingsstukken aan de gemeenteontvanger overgezonden en bij de begrotingsrekening gevoegd.

Art. 131, par. 2, 1e lid, is, mutatis mutandis, van toepassing op de bijzondere agent; wanneer het college van burgemeester en schepenen een tekort vaststelt, wordt, mutatis mutandis, gehandeld overeenkomstig art. 131, par. 3, en par. 4, 1e, 2e, 5e en 6e lid.

Par. 2. - Het college van burgemeester en schepenen kan op eigen verantwoordelijkheid bepaalde gemeenteambtenaren belasten met de inning van ontvangsten in geld op het ogenblik waarop het recht op ontvangst vastgesteld wordt, voor zover de inning verenigbaar is met hun ambt.

Deze ambtenaren hebben niet dezelfde verplichtingen als de bijzondere agenten bedoeld in par. 1.

Zij storten dagelijks of op geregelde tijdstippen het totale van hun inningen aan de gemeente¬ontvanger, volgens diens onderrichtingen, en verantwoorden die bedragen door een nauwkeurige invorderingsstaat per begrotingsartikel. (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

[Art. 138bis. - Par. 1. - Er wordt een eindrekening gemaakt wanneer de ontvanger of de bijzondere agent, bedoeld in art. 138, par. 1, zijn ambt neerlegt, alsmede in de gevallen bedoeld in de art. 53, par. 4, 5e lid, en 54bis, par. 2, 2e lid.

Par. 2. - Het college van burgemeester en schepenen legt de eindrekening van de plaatselijke ontvanger of de bijzondere agent, in voorkomend geval samen met diens opmerkingen of, zo hij overleden is, die van zijn rechtverkrijgenden, voor aan de gemeenteraad die de eindrekening afsluit en de rekenplichtige kwijting verleent of een tekort vaststelt.

De beslissing waarmee de eindrekening wordt afgesloten, wordt door het college van burgemeester en schepenen bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de rekenplichtige of, zo hij overleden is, aan zijn rechtverkrijgenden; in voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het tekort te vereffenen.

Par. 3. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Par. 4. - [(...) (Ord. 14.4.2016, B.S. 25.4.2016)].

Par. 5. - Art. 131, par. 4, is mede van toepassing wanneer de rekenplichtige verzocht wordt een tekort te vereffenen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Art. 139 . – [In afwijking van de bepalingen van art. 136, 1e lid, mogen [rechtstreeks gestort worden op de rekeningen geopend namens de gerechtigde gemeenten bij financiële instellingen die voldoen, naargelang van het geval, aan de voorschriften van de art. 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen (W. 4.5.1999, B.S. 12.6.1999)]:.

1° het bedrag van hun aandeel in de bij de wet, het decreet of de ordonnantie ten voordele van de gemeenten ingestelde fondsen, alsmede in de opbrengst van de rijksbelastingen;

2° de opbrengst van de gemeentebelastingen die door de rijksdiensten worden geïnd;

3° de toelagen, de bijdragen in de uitgaven van de gemeenten en in het algemeen alle sommen die de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de provincies om niet verlenen aan de gemeenten.

[De in het eerste lid bedoelde financiële instellingen worden gerechtigd om het bedrag van de opeisbare schulden, door de gemeente tegenover hen aangegaan ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekening(en) die zij ten behoeve van deze gemeenten hebben geopend (W. 4.5.1999, B.S. 12.6.1999)].


Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de gewestelijke ontvanger



Art. 140. – [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 141. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Art. 142. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Laatste bijwerking

26.06.2017
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links