Titel VI : Begroting en rekeningen (art. 239 tot 263)

I - Gemeenschappelijke bepalingen
II - Begrotingsevenwicht
III - Lasten en uitgaven van de gemeente
IV - Ontvangsten van de gemeente
V - De gemeentebedrijven [en de autonome gemeentebedrijven



Hoofdstuk I. - Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 238. - Het financiële dienstjaar van de gemeente komt overeen met het burgerlijk jaar.

Behoren tot een dienstjaar alleen de rechten verkregen door de gemeente en de verplichtingen aangegaan t.o.v. de schuldeisers tijdens dit dienstjaar, ongeacht het dienstjaar waarin zij worden vereffend.

Art. 239. - [De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

Art. 240. - [Par. 1. - Elk jaar keurt de gemeenteraad de jaarrekeningen van het vorige dienstjaar goed en bezorgt ze uiterlijk op 30 juni aan de toezichthoudende overheid.

Geen enkele begrotingswijziging kan na 1 juni worden aangenomen door de gemeenteraad indien de rekeningen van het vorige dienstjaar nog niet door de gemeenteraad zijn goedgekeurd.

De jaarrekeningen bestaan uit de begrotingsrekening, de resultatenrekening, de balans en de bijlagen. Het in artikel 96 bedoelde rapport wordt bij de rekeningen gevoegd. (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden de rekeningen binnen de maand nadat zij door de gemeenteraad werden aangenomen [aan de in art. 244, par. 1 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989), vermelde toezichthoudende overheid voorgelegd (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

Art. 241. - [Par. 1. - Elk jaar, voor 31 december, keurt de gemeenteraad de begroting van de uitgaven en inkomsten van de gemeente voor het volgende dienstjaar goed.

Er kan geen enkele begroting worden goedgekeurd door de gemeenteraad indien de rekeningen van het voorlaatste dienstjaar niet definitief door de toezichthoudende overheid zijn vastgesteld (Ord. 27.2.2014, B.S. 2.4.2014)].

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wordt de begroting binnen de maand nadat zij door de gemeenteraad werd aangenomen [aan de in art. 244, par. 1 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989), vermelde toezichthoudende overheid voorgelegd (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

Art. 242. - [De begrotingen en rekeningen worden neergelegd op het gemeentehuis, waar eenieder er altijd ter plaatse kennis van kan nemen.

Op die mogelijkheid van inzage wordt gewezen door middel van aanplakbiljetten die door de zorg van het college van burgemeester en schepenen worden aangebracht binnen een maand nadat de begrotingen en rekeningen door de gemeenteraad zijn aangenomen. Dat bericht blijft ten minste tien dagen aangeplakt (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

[Art. 242bis. - Tweemaal per zittingsperiode, bij de neerlegging van de eerste en de vierde begroting, legt het college de gemeenteraad een driejaarlijks plan voor.

Dit driejaarlijkse plan bestaat uit de volgende documenten

1° een oriëntatienota, die minstens de hoofdbeleidskeuzen bevat die voor de drie eerstvolgende jaren vastgesteld worden;

2° een beheersplan dat de oriëntatienota begrotingsmatig vertaalt, in de vorm van ramingen en vooruitzichten. Dit driejaarlijkse plan wordt na goedkeuring door de gemeenteraad bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van art. 112 en op de door de gemeenteraad voorgeschreven wijze (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Art. 243. - Onverminderd de toepassing van het K.B. van 14 augustus 1933, gewijzigd bij het K.B. nr. 87 van 30 november 1939, bevestigd bij de wet van 16 juni 1947, zijn het advies van de gemeenteraad [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en de goedkeuring van de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] vereist voor de besluiten van de openbare instellingen die in de gemeente bestaan en rechtspersoonlijkheid bezitten over de akten van schenking en de legaten aan die instellingen, wanneer de waarde [2.500 € (K.B. 20.7.2000, B.S. 30.8.2000)] te boven gaat.

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Elk bezwaar tegen de goedkeuring moet worden ingebracht uiterlijk dertig dagen na die betekening.

Bij gehele of gedeeltelijke weigering van goedkeuring moet het bezwaar ingebracht worden binnen dertig dagen na de dag waarop de weigering aan het gemeentebestuur meegedeeld is.

Bij inbrenging van bezwaren beslist altijd de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] over de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking of van het legaat.

De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.

Art. 244. - [Par. 1. - Door de zorg van het college van burgemeester en schepenen worden aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad, voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en aan de goedkeuring van de provinciegouverneur voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren onderworpen de besluiten van de gemeenteraad over de volgende zaken:

1° de begrotingen van de uitgaven der gemeente en van de middelen om die te bestrijden;

2° de jaarlijkse rekening van ontvangsten en uitgaven der gemeente.

Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provinciegouverneur de in het 1e lid genoemde bevoegdheden uit overeenkomstig de art. 267 tot 269.

Het gemeentebestuur is ertoe verplicht, bij het voorleggen van de begrotingen en de rekeningen aan de goedkeuring, te bevestigen dat de bepalingen van art. 242 werden nageleefd.

Het in art. 96 bedoelde verslag wordt bij de begrotingen en de rekeningen gevoegd.

De vaststelling van de begrotingen en de rekeningen door de bestendige deputatie of de gouverneur, naargelang van het geval, is definitief, behalve bij beroep krachtens par. 2.

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied kan de gouverneur en, bij weigering van goedkeuring de gemeente, bij de Koning in beroep gaan tegen de beslissingen van de bestendige deputatie.

Voor de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, kan de gouverneur en, bij weigering van goedkeuring de gemeente, bij de Gewestexecutieve in beroep gaan tegen de beslissingen van de bestendige deputatie.

Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren kan de gemeente bij de Gewestexecutieve in beroep gaan tegen de beslissing tot weigering van goedkeuring door de gouverneur.

Par. 3. - Het in par. 2 bedoelde beroep wordt binnen tien dagen ingesteld; deze termijn vangt aan voor de gouverneur de dag waarop de beslissing valt die het voorwerp is van het beroep en voor de gemeente de dag waarop zij haar ter kennis wordt gebracht.

Het beroep wordt aan de bestendige deputatie of aan de gouverneur, naargelang van het geval, betekend uiterlijk de dag nadat het is ingesteld.

De hogere overheid kan, zowel ter plaatse als per brief, alle inlichtingen en gegevens doen inwinnen die dienstig zijn voor het onderzoek van het beroep.

Het beroep schorst de tenuitvoerlegging gedurende dertig dagen te rekenen van de in het 2e lid bedoelde betekening; evenwel kan deze termijn zo nodig met dertig dagen worden verlengd bij een met redenen omkleed besluit.

De definitieve vastlegging van de begrotingen en de rekeningen, voor deze termijn verstreken is, behoort aan de Koning of de Gewestexecutieve, naargelang van het geval.

Indien binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, is de beslissing van de bestendige deputatie of van de gouverneur, naargelang van het geval, uitvoerbaar ( K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 245. - Wanneer een post voor een niet verplichte uitgave door de toezichthoudende overheid verminderd is, mag het college van burgemeester en schepenen de uitgaven niet doen zonder een nieuw besluit van de gemeenteraad dat daartoe machtiging verleent.

Art. 246. - [Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wanneer het gemeentebestuur ten gevolge van onvoorziene omstandigheden een uitgave noodzakelijk acht, waarvoor geen krediet op de begroting voorkomt, richt het te dien einde een bijzondere aanvraag aan de bestendige deputatie van de provincieraad (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

[Art. 247. - Geen betaling uit de gemeentekas mag geschieden dan op grond van een op de begro¬ting voorkomende post, in voorkomend geval vastgesteld overeenkomstig art. 244, of op grond van een bijzonder krediet, in voorkomend geval goedgekeurd overeenkomstig art. 246, of op grond van een voorlopig krediet toegestaan onder de voorwaarden en binnen de grenzen die de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt.

De leden van het college van burgemeester en schepenen zijn persoonlijk aansprakelijk voor de uit¬gaven die zij in strijd met het 1e lid hebben gedaan of bevolen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Art. 248. - [Par. 1. - Geen art. van de uitgaven der begroting mag worden overschreden en geen overschrijving mag geschieden.

Par. 2. - Wanneer echter bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met regelmatig en werkelijk aangegane verbintenissen tegenover schuldeisers van de gemeente, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de uitgave te vereffenen naar het volgende dienstjaar over¬geschreven door middel van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen; deze laatste moet bij de rekening over het afgesloten dienstjaar worden gevoegd.

Over de aldus overgeschreven kredieten mag beschikt worden zonder een nieuwe beslissing van de gemeenteraad.

Par. 3. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren kan de bestendige deputatie van de provincieraad daarenboven het overschrijden van artikelen van de uitgave der begroting en andere over¬schrijvingen dan die bedoeld in par. 2, toelaten.

Over de krachtens par. 2 overgeschreven kredieten mag worden beschikt zonder de toelating van de bestendige deputatie (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].

Art. 249. - [Par. 1. - De gemeenteraad kan echter voorzien in uitgaven die door dwingende en on¬voorziene omstandigheden worden vereist, mits hij daartoe een met redenen omkleed besluit neemt.

Wanneer het geringste uitstel onbetwistbaar schade zou veroorzaken, kan het college van burge¬meester en schepenen onder eigen verantwoordelijkheid in de uitgave voorzien, onder verplichting om zonder verwijl daarvan kennis te geven aan de gemeenteraad, die besluit of hij met die uitgave al dan niet instemt.

[De leden van het college van burgemeester en schepenen die uitgaven bevolen hebben in de gevallen bedoeld in het 1e en het 2e lid, die echter afgewezen zijn op de definitief afgesloten rekeningen, zijn er persoonlijk toe gehouden het overeenkomstige bedrag in de gemeentekas te storten. (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden het in par. 1, 1e lid, bedoelde besluit van de gemeenteraad en de in par. 1, 2e lid, bedoelde beslissing van het college van burgemeester en schepenen zonder verwijl voor goedkeuring meegedeeld aan de bestendige deputatie van de provincieraad, als het gaat om één van de gemeenten van het Duitse taalgebied, of om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en aan de provinciegouverneur, als het gaat om de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provinciegouverneur de in par. 2 bedoelde bevoegdheden uit overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 250. - De bevelschriften tot betaling uit de gemeentekas, afgegeven door het college van burgemeester en schepenen, moeten ondertekend worden door de burgemeester of door degene die hem vervangt, en door een schepen; zij worden medeondertekend door de secretaris.

Art. 251. - [Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, beraadslaagt de bestendige deputatie van de provincieraad, bij weigering van of vertraging in het betaalbaar stellen van het bedrag der uitgaven die de wet aan de gemeenten oplegt, daarover, de gemeenteraad gehoord, en beveelt zonodig onmiddellijk betaling.

Die beslissing geldt als bevelschrift tot betaling; de gemeenteontvanger is verplicht, onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, het bedrag te betalen. Indien hij weigert, kan tegen hem opgetreden worden door middel van een dwangbevel [overeenkomstig art. 136, 2e lid (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)] (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].


Hoofdstuk II. - Begrotingsevenwicht



Art. 252. - De begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de gemeenten mag, ten laatste te rekenen vanaf het begrotingsjaar 1988, in geen enkel geval, een deficitair saldo op de gewone of de buitengewone dienst, noch een fictief evenwicht of een fictief batig saldo, vertonen.

Art. 253. - De gemeenten die in gebreke blijven om een sluitende begroting in de zin van art. 252 in te dienen:

1° mogen op hun personeelsleden, met inbegrip van degenen die functies uitoefenen welke inherent zijn aan de bijzondere werkzaamheden van die gemeenten, de bezoldigingsregeling en de wedde¬schalen van het personeel der ministeries toepassen;

2° mogen aan de leden van hun onderwijzend personeel slechts de wedde toekennen waarop de betrokkenen rekening houdend met hun bekwaamheidsgetuigschriften, recht zouden hebben indien zij lid waren van het personeel van het Rijksonderwijs, alleen vermeerderd met de vergoedingen en toelagen die in het Rijksonderwijs worden toegekend;

3° mogen de aan de hoedanigheid van lid van het onderwijzend personeel verbonden bezoldiging niet toekennen aan een personeelslid in overtal t.o.v. de nationale reglementering inzake schoolbevolkingsnormen, evenmin als aan een personeelslid dat niet in het bezit is van de vereiste of van de als voldoende geachte getuigschriften.

Art. 254. - [Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, kan de overheid belast met het administratieve toezicht inzake begroting, indien de gemeente geen sluitende begroting zoals bedoeld in art. 252 voorlegt, elke noodzakelijke maatregel nemen om de uitgaven te verminderen en de ontvangsten te verhogen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].


Hoofdstuk III. - Lasten en uitgaven van de gemeente



Art. 255. - De gemeenteraad is verplicht elk jaar op de begroting van uitgaven te brengen alle uitgaven die door de wetten aan de gemeente zijn opgelegd, en inzonderheid de volgende:

1° het aankopen en onderhouden van de registers van de burgerlijke stand;

2° het abonnement op het Belgisch Staatsblad en op het Bestuursmemoriaal;

3° de belastingen op de goederen van de gemeente;

4° de vaststaande en opeisbare schulden van de gemeente, alsmede de schulden die zij moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen;

5° de wedden van de burgemeester, de schepenen, de secretaris, de ontvanger, de bedienden van de gemeente, [(…) (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)] en de boswachters van de gemeente;

6° de kantoorkosten van het gemeentebestuur;

7° het onderhoud van de gemeentegebouwen of de huur van de huizen die tot gemeentegebouw dienen;

8° de huurgelden en de kosten, behalve die voor geringe herstellingen, betreffende de lokalen van vredegerechten, politierechtbanken, politieafdelingen van de parketten van de procureur des Konings en arbeidsrechtbanken in de gemeenten waar die rechtscolleges gevestigd zijn, wanneer de Staat of de Regie der gebouwen geen eigenaar of huurder van de lokalen is;

9° de hulpgelden aan de kerkfabrieken en consistories, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen te verlenen wanneer de middelen van die instellingen ontoereikend blijken;

10° de kosten die door de wetten op het onderwijs ten laste worden gebracht van de gemeente;

11° de uitgaven betreffende de plaatselijke veiligheids- en gezondheidspolitie;

12° de vergoeding voor huisvesting van de bedienaren van de erediensten, overeenkomstig de geldende bepalingen, wanneer geen woning wordt verschaft;

13° de uitgaven bepaald in art. 130 van het Kieswetboek en de uitgaven vereist voor de verkiezingen van de gemeenteraad;

14° de kosten van het drukwerk benodigd voor de boekhouding van de gemeente;

15° de pensioenen ten laste van de gemeente;

16° de dotaties bepaald in art. 106 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW's;

17° de uitgaven voor de gemeentewegen en de buurtwegen, de sloten, de waterleidingen en de bruggen, die krachtens de wet ten laste van de gemeente zijn.

[18° de kosten die ten laste worden gelegd van de gemeente door of krachtens de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met inbegrip van, in de meergemeentezones, de dotatie van de gemeente aan de politiezone (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].

Art. 256. - [Par. 1. - Wanneer verscheidene gemeenten bij een verplichte uitgave betrokken zijn, dragen zij alle daarin bij naar evenredigheid van het belang dat zij erbij kunnen hebben; in geval van weigering of van onenigheid over de verhouding van dit belang en van de te dragen lasten, beslist [de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].

Betreft de zaak evenwel gemeenten van verscheidene taalgebieden of van verscheidene provincies, dan beslist de Koning.

Par. 2. - Beroep staat open tegen de beslissing van de bestendige deputatie, bedoeld in par. 1, 1e lid,

1° voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, bij de Koning;

2° voor de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, bij de Gewestexecutieve (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 257. - [Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, trekt de bestendige deputatie van de provincieraad, wanneer de gemeenteraad verplichte uitgaven die krachtens de wet ten laste van de gemeente komen, geheel of gedeeltelijk weigert op de begroting te brengen, het vereiste bedrag ambtshalve daarop uit, de gemeenteraad gehoord.

Indien hij zich benadeeld acht, kan de gemeenteraad beroep instellen bij de Koning, als het gaat om één van de gemeenten van het Duitse taalgebied en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren (K.B. 30.5.1989, B.S.31.5.1989)].

Art. 258. - [Par. 1. - Indien de op de begroting gebrachte ontvangsten niet toereikend zijn tot betaling van een gemeenteschuld die erkend en opeisbaar is of die voortvloeit uit een beslissing in laatste aanleg gewezen door het gewone of het administratieve gerecht, stelt de gemeenteraad middelen voor om daarin te voorzien.

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, voorziet de bestendige deputatie van de provincieraad erin als de gemeenteraad in gebreke blijft, en zulks na twee opeenvolgende uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen.

Daartoe gelast ze een bepaald aantal opcentiemen te heffen op de in de gemeente betaalde directe belastingen, onder goedkeuring van de Koning, als het gaat om één van de gemeenten van het Duits taalgebied en van de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren.

Par. 3. - Voor de in par. 2 bedoelde gemeenten beslist de Koning, als het gaat om één van de gemeenten van het Duits taalgebied, en de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren, wanneer:

1° de gemeenteraad de uitgaven op de begroting gebracht heeft en de bestendige deputatie, als het gaat om één van de gemeenten van het Duitse taalgebied of om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, of de provinciegouverneur die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269, als het gaat om de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren, ze verworpen of verminderd heeft;

2° wanneer de bestendige deputatie, in overeenstemming met de gemeenteraad, geen of slechts een ontoereikend krediet uittrekt.

De Koning of de Gewestexecutieve, naargelang van het geval, bepaalt desgevallend het aantal te heffen opcentiemen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Art. 258bis. - De gemeenteraad kan een deel van de begroting, de zogenaamde participatieve begroting, besteden aan projecten afkomstig van buurtcomités of burgerinitiatieven, op voorstel van een jury die in meerderheid bestaat uit burgers die hun verblijfplaats hebben in de gemeente en geen zitting in de gemeenteraad hebben (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].


Hoofdstuk IV. - Ontvangsten van de gemeente



Art. 259. - De gemeenteraad is verplicht jaarlijks alle ontvangsten van de gemeente, onder nadere omschrijving, op de begroting te brengen, evenals die welke de wet haar toekent, alsmede de overschotten van de vorige dienstjaren.

Art. 260. - De gemeentelijke opcentiemen op de rijksbelastingen worden ingevorderd overeenkomstig de regels bepaald voor de heffing van de belasting waar zij bijkomen.


Hoofdstuk V. - De gemeentebedrijven [en de autonome gemeentebedrijven



(W. 28.03.1995, B.S. 08.04.1995)]

Art. 261. - [Par. 1. - De gemeentelijke inrichtingen en diensten [(...) (W. 28.03.1995, B.S. 08.04.1995)] kunnen worden georganiseerd als gemeentebedrijven en buiten de algemene diensten van de gemeenten om beheerd.

Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden de inrichtingen en diensten bedoeld in par. 1 door de Koning aangewezen indien het gaat om een van de gemeenten van het Duitse taalgebied, en door de Gewestexecutieve indien het gaat om een van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 262. - De gemeentebedrijven worden beheerd volgens industriële en commerciële methoden.

Het boekjaar van de gemeentebedrijven valt samen met het kalenderjaar.

De rekening van de gemeentebedrijven omvat de balans, de exploitatierekening en de winst- en verliesrekening, op 31 december van ieder jaar afgesloten.

De nettowinsten van de gemeentebedrijven worden jaarlijks in de gemeentekas gestort.

De overige regels, eigen aan het financieel beheer van de gemeentebedrijven, worden vastgesteld door de Koning.

Art. 263. - De ontvangsten en uitgaven van de gemeentebedrijven kunnen door een bijzondere rekenplichtige gedaan worden. Deze rekenplichtige valt onder dezelfde regels als de gemeente¬ontvangers inzake benoeming, [tuchtstraffen (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)], alsmede verantwoorde¬lijkheid en zekerheidstelling.

[Art. 263bis. - De Koning bepaalt de activiteiten van commerciële of industriële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten (W. 28.03.1995, B.S. 08.04.1995)].

[Art. 263ter. - Par. 1. - De autonome gemeentebedrijven worden beheerd door een raad van bestuur en een directiecomité.

Par. 2. - De raad van bestuur is gemachtigd alle nuttige of noodzakelijke handelingen te stellen om de doelstellingen van het autonome gemeentebedrijf te verwezenlijken.

De raad van bestuur controleert het bestuur van het directiecomité. Het directiecomité brengt regelmatig verslag uit bij de raad van bestuur.

De gemeenteraad wijst de leden van de raad van bestuur van het autonome gemeentebedrijf aan. De raad van bestuur is samengesteld uit ten hoogste de helft van het aantal gemeenteraadsleden, maar met een maximum van achttien. De meerderheid van de raad van bestuur bestaat uit leden van de gemeenteraad. Elke politieke groep is er in vertegenwoordigd.

De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter.

Bij staking van stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Par. 3. - Het directiecomité is belast met het dagelijks bestuur, met de vertegenwoordiging met betrekking tot dat bestuur en met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur. Het is samengesteld uit een afgevaardigd bestuurder en vier bestuurdersdirecteurs aangesteld door de raad van bestuur.

Het directiecomité wordt voorgezeten door de afgevaardigde bestuurder. In geval van staking van stemmen in het directiecomité is zijn stem doorslaggevend (W. 28.03.1995, B.S. 08.04.1995)].

[Art. 263quater. - Het toezicht op de financiële toestand en op de jaarrekeningen van de autonome gemeentebedrijven wordt opgedragen aan een college van drie commissarissen, die door de gemeenteraad worden gekozen buiten de raad van bestuur van het gemeentebedrijf en waarvan ten minste één lid is van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren.

Met uitzondering van deze laatste zijn de leden van het college van commissarissen allen lid van de gemeenteraad (W. 28.3.1995, B.S. 8.4.1995)].

[Art. 263quinquies. - De gemeenteraadsleden waarvan het mandaat een einde neemt worden geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn in het autonome gemeentebedrijf.

Alle mandaten in de verschillende organen van de autonome gemeentebedrijven worden beëindigd op de eerste vergadering van de raad van bestuur die volgt op de installatie van de gemeenteraad

(W. 28.3.1995, B.S. 8.4.1995)].

[Art. 263sexies. - Par. 1. - De autonome gemeentebedrijven beslissen vrij, binnen de grenzen van hun doel, over de verwerving de aanwending en de vervreemding van hun lichamelijke en onlichame¬lijke goederen, over de vestiging of de opheffing van de zakelijke rechten op die goederen, alsook over de uitvoering van dergelijke beslissingen en over hun financiering.

Par. 2. - Zij kunnen rechtstreeks of onrechtstreeks participeren in publiek- of privaatrechtelijke ondernemingen, verenigingen en instellingen, hierna genoemd de filialen, waarvan het maatschap¬pelijk doel overeenstemt met hun doel.

Ongeacht de grootte van de inbreng van de verschillende partijen in het maatschappelijk kapitaal, moet het autonome gemeentebedrijf over de meerderheid der stemmen beschikken en het voorzitterschap waarnemen in de organen van de filialen.

De leden van de gemeenteraad die als bestuurder of commissaris zitting hebben in de organen van een autonoom gemeentebedrijf, mogen geen enkel bezoldigd mandaat van bestuurder of commissaris vervullen, noch enige bezoldigde activiteit uitoefenen in een filiaal van dat bedrijf (W. 28.3.1995, B.S. 8.4.1995)].

[Art. 263septies. - Par. 1. - De raad van bestuur stelt jaarlijks een ondernemingsplan op dat de doelstellingen en de strategie van het autonoom gemeentebedrijf op middellange termijn vaslegt, evenals een activiteitenverslag. Het ondernemingsplan en het activiteitenverslag worden meegedeeld aan de gemeenteraad.

Par. 2. - De gemeenteraad kan ten allen tijde aan de raad van bestuur verslag vragen over de activiteiten van het autonoom gemeentebedrijf of over sommige ervan (W. 28.3.1995, B.S. 8.4.1995)].

[Art. 263octies. - De art. 53 tot 67 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zijn van toepassing op de autonome gemeentebedrijven behoudens indien deze wet er uitdrukkelijk van afwijkt (W. 28.3.1995, B.S. 8.4.1995)].

[Art. 263novies. - De wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen is van toepassing op de autonome gemeentebedrijven (W. 28.3.1995, B.S. 8.4.1995)].

[Art. 263decies. - De bepalingen van Hoofdstuk VI van Titel III van de wet zijn van toepassing op de autonome gemeentebedrijven (W. 22.2.1998, B.S. 3.3.1998)].

Laatste bijwerking

12.04.2014
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links