Gedaan met de belasting op ongeadresseerd drukwerk?

Volgens het Luikse Hof van Beroep is een gemeentebelasting op ongeadresseerd drukwerk een wettelijk verboden octrooi. Dit arrest druist in tegen de rechtsleer en de rechtspraak terzake.


Het onderscheid tussen een belasting en een octrooi vloeit voort uit de beperking van de gemeentelijke fiscale macht. Een arrest van februari 2002 uit Luik wekt onze aandacht omdat het ingaat tegen de rechtspraak van de Raad van State. Wij geven hier een uittreksel van dat arrest, alsook een kritische lezing ervan.

Luik, 8 februari 2002

ALGEMEEN – BEVOEGDHEID – BELASTING OP ONGEADRESSEERD DRUKWERK – VERBOD OP INVOERING VAN OCTROOIBELASTING

Het gemeentelijk reglement dat een belasting op ongeadresseerd drukwerk invoert en dat de gratis verspreiding van publicitaire geschriften « voor alle postbussen » op het gemeentelijk territorium belast ten bedrage van 1 frank per exemplaar, maakt een indirecte belasting uit op specifieke prestaties – te weten de bedeling van dergelijke dagbladen op het territorium – die de kost van die producten verhogen ten nadele van commerciële adverteerders en uiteindelijk van de gebruikers. Deze belasting vormt dan ook een octrooi, verboden door de wet van 18 juli 1860.

[…]

B.V.B.A. S. tegen de gemeente H., vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen.

Na beraadslaging

[…]

Gezien de eiser terecht aanhaalt dat het belastingreglement, door een belasting van één frank per exemplaar in te voeren op de gratis verspreiding van publicitaire geschriften « voor alle postbussen »op het gemeentelijk territorium in werkelijkheid een indirecte belasting uitmaakt op specifieke prestaties – te weten de bedeling van dergelijke dagbladen op het territorium – die de kost van die producten verhogen ten nadele van commerciële adverteerders en uiteindelijk van de gebruikers. Deze belasting vormt dan ook een octrooi, verboden door de wet van 18 juli 1860;

Gezien de eiser terecht inroept dat de litigieuze belasting bijgevolg een belemmering vormt voor de vrije circulatie van dat soort publicaties die onderscheiden dienen te worden van de reclamefolders van grootwarenhuizen;

Gezien de belasting voor deze laatste inderdaad niet geheven wordt op de commerciële activiteit zelf, maar wel op de reclame met het oog op het aangaan van contracten met de voornoemde ondernemingen;

Gezien de belasting daarentegen betrekking heeft op de productie van tijdschriften voor alle postbussen die tot doel hebben reclame en informatie te verspreiden, zelfs al heeft die belasting deze tijdschriften niet kunnen doen verdwijnen ;

Gezien de gemeente op het vlak van de verboden octrooien uiteindelijk erkent dat een dergelijke doorberekening van de kosten bestaat, zelfs al is er helemaal geen sprake van de circulatie van producten tussen verschillende gemeenten;

Gezien het onder deze omstandigheden weinig uitmaakt dat de gemeente de vrijheid van handel en industrie beweert te respecteren, alsook het proportionele karakter van het nagestreefde ecologische doel ;

Gezien deze verschillende aspecten alsook de eventuele dubbele belasting inderdaad niet meer interessant zijn aangezien de indirecte gemeentebelasting op een plaatselijk consumptiemiddel volstaat om de toepassing van het reglement te weigeren omwille van zijn illegaal karakter (Cass. 10.11.1994, Gemeenterecht, 95/2 blz.101) ;
Gezien men bijgevolg het recht heeft om een beroep in te stellen, los van de andere middelen door de eisende partij aangehaald ;

Om deze redenen

Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935,

Het Hof,

recht doende op tegenspraak,

verklaart het beroep ontvankelijk.

Stelt de aard van het octrooi vast dat verboden wordt door het litigieuze belastingreglement over de publicaties van de eisende partij op het territorium van de desbetreffende gemeente en weigert bijgevolg dat octrooi toe te passen.

[…].

Bron : F.J.F., Nr 2002/148, Ced. Samsom, Kluwer, blz. 442-443.


Bemerkingen

Dit arrest is enigszins verrassend daar het niet in de lijn ligt van de rechtspraak van de Raad van State in deze materie. De kern van het probleem betreft uiteraard het begrip octrooi.

Laten we nagaan wat dit begrip exact betekent.

Een octrooi is een beschermende maatregel genomen ten voordele van de plaatselijke industrie, en belemmert de handelsvrijheid; worden als octrooien beschouwd: de invoerrechten, de expeditierechten, de transitrechten, de fabricatierechten of de extractierechten van levensmiddelen of goederen [1], het zegelrecht op de kwijtschriften, …[2]. In een arrest van 2000 [3] heeft de Raad van State eraan herinnerd dat een octrooi zich laat definiëren als « een indirecte verbruiksbelasting die geheven wordt op het product dat verbruikt wordt en die aldus gevoegd wordt bij de prijs ervan, alvorens het product uiteindelijk bij de verbruiker terecht komt », en dat « het kenmerk van een octrooi erin bestaat dat het op het product zelf geheven wordt». Het Hof van Cassatie heeft het octrooi op haar beurt gedefinieerd als « een indirecte belasting op een voorwerp van plaatselijke consumptie om te voorzien in de algemene behoeften van de plaatselijke overheid die het invoert"[4].

De « indirecte gemeentebelastingen gekend onder de naam octrooien » werden afgeschaft door de wet van 18 juli 1860 tot afschaffing van de gemeentelijke octrooien (B.S. 19 juli 1860), met het verbod de octrooien opnieuw in te stellen. Ondanks wat de wettelijke bepaling zou kunnen doen vermoeden, zijn het niet simpelweg de gemeentebelastingen die octrooien genoemd worden, die afgeschaft zijn, maar door de band genomen alle belastingen die beantwoorden aan de kenmerken van het octrooi. Het is inderdaad zo dat het niet de kwalificatie is, maar de aard van de heffing die de belasting in de ene of de andere categorie kan onderbrengen. Gedaan dus met de verhulde octrooien!

De rechtspraak van het Hof van Cassatie en van de Raad van State hebben vier criteria aangestipt om octrooien te herkennen :

    1. de belasting is een indirecte belasting
    2. de belasting wordt geheven op een goed of een object bij de productie, bij de circulatie van dat goed of bij de afzet in de gemeente
    3. de belasting wordt berekend pro rata de hoeveelheden die bij die operaties betrokken zijn, zonder rekening te houden met de activiteit van de belastingplichtige en met het inkomen dat deze laatste          verdient met de desbetreffende activiteit
    4. de belasting vormt een handelsbelemmering daar ze onmiddellijk en herhaaldelijk geïnd wordt of daar deze belasting in de prijzen van de belaste objecten vervat zit [5]

De wettelijke beperkingen van de gemeentelijke fiscale macht dienen strikt geïnterpreteerd te worden. Het is pas wanneer deze vier voorwaarden worden samengevoegd, dat een lokale belasting als octrooi beschouwd zal worden.

In het door ons bestudeerde geval staan het eerste, het derde en het vierde criterium als een paal boven water. Het tweede criterium is echter niet zo duidelijk: slaat deze belasting effectief op « een goed of een object bij de productie, de circulatie of de afzet » ?

In bovenvermeld arrest nr. 31.892 van 1 februari 1989 moest de Raad van State een gemeentebelasting onderzoeken op de verspreiding van ongeadresseerd drukwerk. De litigieuze belasting sloeg op « de gratis huis aan huis verspreiding van ongeadresseerde publicitaire geschriften waarvan het redactionele, niet-publicitaire gedeelte beneden de 20 % ligt. » De eiser (Fedis) was van mening dat de gemeentebelasting op de verspreiding van reclamedrukwerk voldeed aan de bovenvermelde voorwaarden, en dat ze bijgevolg gelijk staat met een octrooi ; vandaar dat de eisende partij er dan ook de afschaffing van vroeg. De Raad van State heeft die mening genuanceerd door te onderstrepen dat de gemeentebelasting in werkelijkheid niet de verspreiding van een goed of een object belast maar een dienst : « in tegenstelling tot wat de eisers beweren, […] zijn het niet de publicitaire geschriften zelf, met andere woorden de materiële ondersteuning van de reclame, die belast worden door het litigieuze reglement, maar wel de verspreiding van die geschriften onder bepaalde voorwaarden ». Daar de belasting van een dienst niet kan worden ondergebracht in de categorie van de octrooien, is het gemeentereglement dat die belasting opnam, niet in tegenspraak met de wet van 18 juli 1860 [6].

We komen terug op het arrest van het Luikse Hof van Beroep.

Het door de eiser betwiste reglement voert een belasting in op de gratis verspreiding van publicitaire geschriften voor alle postbussen op het gemeentelijk territorium, ten bedrage van één Belgische frank (0,0247 euro) per exemplaar. Het Hof zegt zelf: het gaat om een belasting « op specifieke prestaties – te weten de bedeling van dergelijke dagbladen op het territorium» ; men begrijpt daarom niet goed via welke kronkels die rechtspraak ertoe komt enkele regels lager te bevestigen dat die belasting « de kost van die producten verhoogt ten nadele van de adverteerders » aangezien de producten in kwestie (met name de publicitaire geschriften voor alle postbussen) … gratis zijn. De belasting van de voornoemde publicitaire geschriften verhoogt de distributiekost, wat zeker indirecte gevolgen zal hebben voor de gebruikers, maar die extra kost, hoewel die over het algemeen verwaarloosbaar is, is niet van die aard dat hij de dienst van het verspreiden van publicitaire geschriften onder de noemer « levensmiddelen of goederen » kan doen vallen.[7]

We zien ook niet in wat het Hof van Beroep het recht geeft te stellen dat de belasting wordt geheven op « de productie van publicitaire geschriften voor alle postbussen » terwijl het de verspreiding van die geschriften is die geviseerd wordt !

Terwijl wij deze tekst schrijven, weten we nog steeds niet of de gemeente tegen dit arrest beroep heeft ingesteld bij het Hof van Cassatie. Indien dat gebeurt, zullen we met aandacht kijken naar de uitspraak van het Hof van Cassatie, onder andere om te weten of het Hof haar eigen rechtspraak zal bevestigen alsook die van de Raad van State. Wat er ook van zij, de beslissing van het Hof van Beroep van Luik mag niet geïnterpreteerd worden alsof men een halt toeroept aan het recht van de gemeenten om ongeadresseerde verzendingen te belasten. Om alle misverstanden te vermijden zal duidelijk vermeld worden dat de belasting betrekking heeft op de verspreiding van geschriften en niet op de geschriften zelf.

Nota

1.
Vzw Belgische federatie van de distributieondernemingen (Fedis) tegen de gemeente Ans, 1 februari 1989, arrest nr. 31.892, RACE, 1989. (vrije vertaling)
2. TIBERGHIEN, « Handboek fiscaal recht », Larcier, Brussel, 2000, blz. 879..
3. N.V. Carmeuse tegen de stad Fosses-la-Ville, 23 februari 2000, arrest nr. 85.563, in A.P.T., 2000, 23e, blz. 292.
4. Cass. b., 10 november 1994, 1e Kamer, Pas., september-oktober 1994, blz. 931.
5. Arrest nr. 31.892, hierboven vermeld.
6. Zie ook vzw Koninklijk Belgisch Yachting Verbond tegen de provincie Oost-Vlaanderen, 27 april 1976, arrest nr. 17.569, RACE, 1976 : « [een dergelijke belasting] kan niet worden gelijkgesteld met een octrooirecht, dat éénmalig geheven wordt bij de invoer of de productie van een verbruiksgoed » (Eigen onderstrepingen).
7. De Raad van State stelt in arrest nr. 31.892, « de wetgever heeft een zekere wil geuit om niet alle indirecte gemeentebelastingen te verbieden, hoewel dergelijke belastingen uiteindelijk ten laste vallen van de consument en bijgevolg een belemmering vormen voor de handel». (vrije vertaling)

ZIE OOK op deze website
"Belasting op ongeadresseerd drukwerk : een arrest dat knopen doorhakt"
"Belasting op ongeadresseerd drukwerk : de rechtspraak maakt het er niet duidelijker op"

« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
23-02-2003
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links