Kafka metamorfoseert administratieve praktijken

De regelgeving betreffende de slijterijen van gegiste dranken, de vergunningen voor het verstrekken van sterke drank en de overheidsopdrachten werd vereenvoudigd, waarbij de gemeenten meer autonomie kregen.


Dit eindejaar heeft de wetgever het tweede luik van de administratieve hervormingen goedgekeurd via de wet van 15 december 2005 houdende administratieve vereenvoudigingen II (B.S. 28 december). Het gaat om een wijzigingswet die, zoals zijn benaming aangeeft, wijzigingen aanbrengt aan een reeks bestaande wetgevingen. Hierbij zijn er verschillende die de gemeenten aanbelangen.


De slijterijen van de gegiste dranken

De slijterijen van de gegiste dranken wordt onderworpen aan een regelgeving die is uitgesplitst in drie hoofdlijnen.

  • Primo, de voorwaarden in verband met de exploitatievergunning worden bepaald in de artikelen 1 tot 4 van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken samengeordend op 3 april 1953. Kan immers geen slijter van gegiste dranken zijn iedere persoon die tot een criminele straf is veroordeeld of tot bepaalde correctionele straffen zoals heling, het houden van een speelhuis of een huis van ontucht, enz. Zijn eveneens ontzet uit het recht gegiste dranken te slijten zij die niet hun openingsbelasting of vijfjaarlijkse belasting overeenkomstig de bepalingen van de gecoördineerde wetten hebben betaald [1].
  • Secundo, de hygiënische eisen worden bepaald "in het belang der openbare gezondheid en zedelijkheid" door de artikelen 5 tot 7 van het koninklijk besluit tot regeling van de uitvoering van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953 (toegang tot de openbare weg, plaatsing van verwarming,, verluchting, latrines en urinoirs,…), dat genomen werd in uitvoering van artikel 5 van de gecoördineerde wetten. Krachtens dit zelfde artikel 5 kan de gemeente deze minimale voorwaarden die door de Koning zijn vastgelegd eveneens uitbreiden of verscherpen door een aanvullend reglement.
  • Tertio, de slijterijen van de gegiste dranken worden beboet door een openingsbelasting (artikelen 8 e.v. van de gecoördineerde wetsbepalingen), door een jaarlijkse belasting (artikel 27 van de gecoördineerde wetten) en in sommige gevallen door een vijfjaarlijkse belasting (artikel 26 van de gecoördineerde wetten).

Alvorens gegiste dranken te kunnen slijten moet de exploitant aan de ontvanger van accijnzen een verklaring overhandigen met de ligging van de lokalen die worden aangewend voor de slijterij en ook een certificaat van hygiëne en een moraliteitsattest afgegeven door het gemeentebestuur. Deze certificaten hebben ten doel aan te tonen dat de slijterij de voorwaarden vervuld die door de Koning zijn vastgelegd of door een eventueel aanvullend reglement en dat de slijter zich niet in een van de uitsluitingsgevallen bevindt (artikel 27 van de gecoördineerde wetten).

De openingsbelasting is echter sinds enkele jaren een gewestbelasting geworden [2]. In het Brusselse gewest werd het bedrag van deze belasting op nul vastgesteld. Daarentegen zijn de procedures van verklaring tegenover de ontvanger van accijnzen gehandhaafd geworden, zelfs nu deze voor hem zinloos zijn geworden.

Daarom heeft de Wetgever besloten de procedure te vereenvoudigen en de ontvanger van accijnzen niet meer te doen tussenkomen. Hiertoe maakt de wet de artikelen 23 e.v. niet van toepassing in de gewesten waar het bedrag van de openingsbelasting tot nul is herleid. Bijgevolg zal de exploitant de in artikel 23 tot 25ter van de gecoördineerde wetten bedoelde verklaringen niet meer moeten overhandigen aan de ontvanger van accijnzen.

Voor de gemeenten verandert er bijna niets:
  • zij hebben nog altijd de mogelijkheid om aanvullende reglementen goed te keuren ter uitbreiding of verscherping van de hygiënische eisen die door de Koning zijn vastgesteld (artikel 5 van de gecoördineerde wetten)
  • zij hebben nog altijd de wettelijke opdracht [3] om te controleren primo of de exploitanten geen inbreuk begaan op artikel 1 van de wet (verval van het recht om een drankslijterij te exploiteren in geval van veroordeling enz.) en secundo of de slijterij zelf geen inbreuk begaat op de minimale voorwaarden vastgesteld door artikel 6 van de gecoördineerde wetten (minimale afmetingen) of vastgelegd door de Koning of de gemeente krachtens artikel 5 van dezelfde wetten
  • in geval van overtreding geeft de gemeenteoverheid de feiten aan de gerechtelijke overheden aan
  • de sancties (boetes, sluiting van de instelling) vallen onder de bevoegdheid van de gerechtelijke en niet van de gemeentelijke overheden
De enige nieuwigheid berust in het feit dat het de taak is van de gemeenten om de exploitatievergunning voor een drankslijterij uit te reiken (of te weigeren). Wij vestigen de aandacht op het feit dat het niet enkel de verkoop van gegiste dranken is die onderworpen is aan gemeentelijke vergunning maar de opening en de exploitatie van de slijterij zelf, zoals artikel 50, §3, van de gecoördineerde wetten bepaalt [4].


De vergunning voor het verstrekken van sterke drank

Deze wijzigingen zijn er gekomen door het regeringsamendement op het wetsontwerp houdende administratieve vereenvoudiging II [5], om de procedures in aansluiting op de wijzigingen van de gecoördineerde wetten van 3 april 1953 betreffende de slijterijen van gegiste dranken te vereenvoudigen

Tot op heden was het iedere slijter [6] verboden, om sterke drank [7], te verkopen of aan te bieden, zelfs ten kosteloze titel, om ter plaatse te verbruiken, als hij niet van te voren een vergunning had gekregen die was uitgereikt door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde [8]. Alvorens de vergunning toe te kennen, controleerde de administratie van douane en accijnzen of de slijter zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bevond van artikel 11, §1 van de wet: veroordeling tot een criminele of bepaalde correctionele straffen zoals heling, het houden van een speelhuis of het onwettig aanvaarden van weddenschappen op paardenwedrennen, het houden van een huis van ontucht, enz.

(We maken van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat, in tegenstelling tot wat we gezien hebben voor de gegiste dranken, het niet de exploitatie van een slijterij is die aan vergunning onderworpen is maar de verkoop van de sterke drank, getuige hiervan het artikel 8 van de wet dat de slijter die geen vergunning heeft, verbiedt om sterke drank te hebben " in de plaatsen en lokaliteiten waar de verbruikers toegang hebben" en "in de overige gedeelten van de inrichting" , wat enkel steek houdt als de slijterij wordt geëxploiteerd!)

Bovendien was de afgifte van de vergunning vroeger verbonden aan de betaling van een belasting maar deze is afgeschaft geworden door de wet van 17 mei 2004 tot wijziging van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke dranken en betreffende het vergunningsrecht. De administratie van douane en accijnzen had op dit vlak dus geen andere functie meer dan de administratieve verrichtingen voor de afgifte van de vergunning.

Aangezien de fiscale rol van de administratie van douane en accijnzen afgeschaft is geworden, leek het de Wetgever logisch om eveneens zijn administratieve rol af te schaffen en deze aan de gemeente toe te vertrouwen, die meer aangewezen leek om deze functie te vervullen.

De gemeente zal dus de vergunning afgeven « onder de vorm die zij bepaalt » [9] – wat betekent dat de gemeentelijke autonomie op dit vlak zich beperkt tot de vormvoorwaarden voor de afgifte van de vergunning, en zich niet uitstrekt tot de voorwaarden voor de verkrijging ervan en nog minder tot de opportuniteit: de gemeente heeft niet de bevoegdheid om de verplichting van een vergunning af te schaffen, noch om de grondvoorwaarden ervan te wijzigen. Zij zal zich ervan vergewissen alvorens het document af te leveren dat de slijter zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bevindt van artikel 11 van de wet van 28 december 1983 en dat – dit is een nieuwigheid – de drankslijterij de hygiënische eisen vervult, die worden bedoeld in de artikelen 5 tot 7 van de wetsbepalingen betreffende de gegiste dranken samengeordend op 3 april 1953 [10].

De Regering waarborgt dat deze hervorming nauwelijks een overmaat aan werk voor de gemeenten met zich mee zal brengen die momenteel reeds verplicht zijn om onderzoeken uit te voeren over het zedelijk gedrag van de kandidaat-slijter bij de afgifte van het moraliteitsattest (formulier 240i). Hoogstens zal deze hervorming aan de gemeente opleggen om een nieuwe procedure voor afgifte van de vergunning op te stellen, maar het is toegestaan om deze zo eenvoudig als gewenst te maken (wat trouwens kadert in de filosofie van de wet die een administratieve vereenvoudiging beoogt).


De overheidsopdrachten

Artikel 23 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten laat onder bepaalde voorwaarden en tegen de aanbestedende overheid in de overdracht en de inpandgeving toe van de schuldvordering van een aannemer. Wanneer de aannemer overgaat tot de overdracht of inpandgeving van zijn schuldvordering, moeten volgens artikel 23, § 4, van de wet deze verrichtingen door de cessionaris bij deurswaardersexploot worden betekend aan de aanbestedende overheid.

Dit verplichte beroep op een deurwaarder lijkt een zware en dure formaliteit, hetgeen tal van kleine ondernemingen zou kunnen ontmoedigen om aan overheidsopdrachten deel te nemen. Daarom wordt artikel 23, § 4, met twee alinea's aangevuld, die voorzien dat de betekening van de overdracht of de inpandgeving eveneens bij aangetekend schrijven kunnen gebeuren en dat de aanbestedende overheid daarom expliciet in het bijzondere lastenboek of de documenten die te dien einde dienst doen, melding moet maken van de administratieve gegevens van de dienst naar waar de brief moet worden opgestuurd.

Een hervorming die volgens de opsteller van de wet van aard is om de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen aan de wedstrijden van overheidsopdrachten aan te moedigen, en bijgevolg de offertes en prijzen ten goede zal komen [11].


Meer info op de website kafka.be



Nota

1.
Deze ontzetting kan worden opgeheven indien de verschuldigde belasting wordt betaald. Cf. artikel 1 van de gecoördineerde wettelijke bepalingen.
2. D.w.z. dat de gewesten de opbrengst ervan innen; zij kunnen de belastinggrondslag bepalen, het tarief en de vrijstellingen, maar ze kunnen de belasting niet afschaffen.
3. Nieuw artikel 50, § 2, van de gecoördineerde wetten.
4. " De onder § 2 bedoelde slijterijen mogen slechts worden geopend na een positief bericht van de gemeentelijke overheid, op basis van de controles uitgevoerd overeenkomstig § 2."
5. Wetsontwerp houdende administratieve vereenvoudiging II, Parl. doc. Kamer, G.Z. 2004/2005, nr. 1967/002.
6. Artikel 1, 2°, van de wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het versterken van sterke drank definieert als slijter "de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die in enigerlei hoedanigheid en voor eigen rekening, een werkzaamheid uitoefent die erin bestaat of er mede in bestaat een drankgelegenheid te exploiteren".
7. D.w.z. «drank zoals bepaald in artikel 16 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de tarieven van de accijnsrechten op alcohol en op alcoholhoudende drank» (artikel 1, 5°, van de wet van 28 december 1983).
8. Het is eveneens verboden om sterke drank te laten verbruiken in dezelfde omstandigheden.
9. Artikel 2, § 2, van de wet van 28 december 1983, zoals gewijzigd door de wet van 15 december 2005 houdende administratieve vereenvoudiging II.
10. Artikel 3, § 1, van de wet van 28 december 1983, zoals gewijzigd door de wet van 15 december 2005.
11. Wetsontwerp houdende administratieve vereenvoudiging II, Parl. doc. Kamer , G.Z. 2004/2005, nr. 1967/001, p. 20.


« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
15-03-2006
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links