Bezwaarschriften tegen lokale belastingen – een ongegronde reputatie

Artikel 10, 2de lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen mag niet betekenen dat het bezwaarschrift gegrond verklaard wordt door verloop van tijd, noch dat de rechter van de gerechtelijke orde gebonden is door deze vermeende gegrondheid. Dit artikel heeft dus geen enkel juridisch effect.


Het Arbitragehof heeft onlangs een arrest uitgesproken over een prejudiciële vraag [1] die de les vervolledigt en preciseert die het Hof getrokken had uit een eerste arrest, dat dateert van eind 2000 [2] en betrekking had op artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen.

De vraag die de rechtbank van eerste aanleg van Luik aan het Arbitragehof stelde, nadat de rechtbank in beroep een uitspraak had gedaan over de betwisting van een heffing van een gemeentebelasting, is de volgende: "Is artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 […] volgens de interpretatie van het vermoeden van gegrondheid van het aanvankelijke bezwaar, als bij de rechtbank van eerste aanleg een fiscaal beroep aanhangig is gemaakt zonder dat er een uitspraak werd gedaan over het aanvankelijke bezwaar, strijdig met artikel 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet […] in zoverre dat het vermoeden enerzijds enkel van toepassing is op de provincie- of gemeentebelastingen en niet op de rijksbelastingen, terwijl dat vermoeden anderzijds een verschillende behandeling in het leven roept tussen de belastingheffende overheid en de belastingplichtige?".

Is het met andere woorden logisch dat:

  • het stilzwijgen van de overheid leidt tot een vermoeden van gegrondheid van het bezwaar als het over een lokale belasting gaat, maar niet als het om een rijksbelasting gaat?
  • het vermoeden van gegrondheid van het bezwaar de rechtbank van eerste aanleg bindt – ten koste van de overheid en enkel ten gunste van de eiser?
Op de eerste vraag antwoordt het Hof negatief: niets, zelfs niet de a priori lage moeilijkheidsgraad van de lokale fiscale aangelegenheden, kan verantwoorden dat het stilzwijgen van de overheid nu eens leidt tot een vermoeden van gegrondheid (voor de lokale belastingen) en dan weer zonder gevolgen blijft (voor de rijksbelastingen). Die zogenaamde lage moeilijkheidsgraad kan de gemeente objectief gezien geen uitvoerende titel ontnemen [3]. Te meer daar uit de voorbereidende werken van artikel 10, tweede lid, blijkt dat de wetgever de bedoeling had om, op het vlak van rechterlijk beroep, een parallellisme in het leven te roepen tussen de regels die van toepassing zijn op de rijksbelastingen en die welke betrekking hebben op de provincie- en gemeentebelastingen.

Zelfde antwoord op de tweede vraag: een dergelijke beschikking "doet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de gemeenten, waaraan elke mogelijkheid wordt ontzegd om hun verweermiddelen voor de rechter te doen gelden, wat ook de redenen zijn voor de ontstentenis van beslissing in de administratieve fase van de procedure. De rechter moet zich ertoe beperken die ontstentenis van beslissing vast te stellen, zonder rekening te houden met de grond van de zaak" (punt B.5.1.).

Maar de vraag die de rechtbank gesteld had, was "Als de beschikking op die manier geïnterpreteerd wordt, is ze dan strijdig…". Het Hof antwoordt daar uitgebreid op: volgens de interpretatie die in de vraag voorgesteld wordt, schendt artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 inderdaad artikel 10 en 11 van de Grondwet. Echter "wanneer de aangeklaagde norm op meerdere manieren geïnterpreteerd kan worden, kan de constitutionele rechter een interpretatie overeenkomstig de Grondwet voorstellen" [4] ; het Hof beperkt zich dus niet tot het onderzoeken van de vraag zoals die door de rechter a quo werd gesteld, maar het Hof stelt een tweede interpretatie voor die de omstreden beschikking overeenkomstig de Grondwet maakt: als het geïnterpreteerd wordt alsof het niet van toepassing is op de gerechtelijke fase van de rechtspleging inzake gemeentebelastingen, schendt artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 artikel 10 en 11 van de Grondwet niet. Een bewijs daarvan is de mogelijkheid om beroep aan te tekenen, in hoger beroep te gaan of in cassatie te gaan, zoals voorzien bij artikel 10, 3 e en 4 e lid, van de wet van 24 december 1996. Als de rechtbank van eerste aanleg gebonden was door het vermoeden van gegrondheid, zou het geen enkele zin hebben om jurisdictioneel beroep aan te tekenen!

Tot besluit kunnen we de les die we kunnen trekken uit arrest 114/2000 en 134/2004 als volgt worden samenvatten:

1. artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 heeft geen praktische draagwijdte, wat betekent dat ontstentenis van antwoord van het college van burgemeester en schepenen het bezwaar niet rechtvaardigt tijdens de administratieve fase van het geschil;
2. artikel 10, tweede lid, is ook niet van toepassing tijdens de jurisdictionele fase, wat betekent dat de rechter ten volle kan oordelen met betrekking tot het bezwaar.

Deze bepaling is dus in zekere zin virtueel onbestaande …

Ter herinnering
De op prejudiciële vraag gevelde arresten hebben kracht van gewijsde. Ze doen zich gelden tussen de partijen, zijnde de rechter die de vraag gesteld heeft en de rechters die de zaak zullen onderzoeken in beroep, verzet of cassatie. Maar aangezien de beschikking die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, niet ipso facto geannuleerd wordt, is de kracht van gewijsde slechts relatief [5].

Nota

1 Arrest nr. 134/2004 van 22 juli 2004.
2 Arrest nr. 114/2000 van 16 november 2000 werd hiermee samengevoegd omdat het overeenkomsten vertoonde (B.S. 07.12.2000); cf. V. RAMELOT, "Beslechting van fiscale geschillen: het Arbitragehof bemoeit zich ermee", Nieuwsbrief-Brussel nr. 2001/01, blz. 12-14
3 "Alleen al omwille van het feit dat de lokale belastingen erg eenvoudig zijn vanuit technisch standpunt, kan een dergelijke maatregel waarbij de verjaring van een termijn de gemeente een uitvoerende titel ontneemt waarover de gemeente beschikte om de som te innen die haar verschuldigd was, niet toelaatbaar zijn in de ogen van de wetgever." (punt B.5.1.).
4 C. HOREVOETS & P. BOUCQUEY, « Les questions préjudicielles à la Cour d’arbitrage », Bruylant, Brussel, 2001, blz. 57-58
5 C.HOREVOETS & P. BOUCQUEY, « Les questions préjudicielles à la Cour d’arbitrage », Bruylant, Bruxelles, 2001, blz. 61-62 et 103-104.


« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
16-12-2004
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links