Programmawet van 20.07.2006 - gemeentebelasting - politiebevoegdheid van de burgemeester - politiemaatregelen ten opzichte van drugs


20 juli 2006, een goede datum voor hervormingen … Het was immers op die datum dat zowel de programmawet van de federale Regering als een wet houdende diverse bepalingen werden goedgekeurd. Toevallig zijn die twee wetten ook op dezelfde dag verschenen in het Belgisch Staatsblad (28 juli 2006).

Van alle bepalingen die deze twee wetten hebben toegevoegd, verplaatst, gewijzigd of opgeheven, zijn er drie punten die onze aandacht wegdragen.


1. Wijziging van de termijnen voor bezwaar tegen een gemeentebelasting

Artikel 7 van de programmawet van 20 juli 2006 wijzigt artikel 371 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB/92), dat - zoals u weet - eveneens van toepassing is op gemeentebelastingen [1] door de gevolgen van artikel 12 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen.

De termijn om een bezwaar in te dienen bedraagt momenteel 6 maanden na de verzending van het aanslagbiljet, in plaats van 3 maanden. Dit geldt uiteraard voor bezwaren die nog niet waren ingediend op het ogenblik dat de wet in werking treedt. Voor de lopende bezwaren bij de inwerkingtreding van de wet (1 augustus) stelt artikel 9 van de programmawet dat “Wanneer de bezwaartermijn bedoeld in artikel 371 van hetzelfde Wetboek, zoals hij bestond voor de wijziging door artikel 7 van deze wet, niet verlopen is op de datum van de inwerkingtreding van voormeld artikel, kan het bezwaarschrift worden ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Met andere woorden:

  • indien de termijn voor bezwaar van 3 maanden afgelopen is op 1 augustus, verandert er niets: de termijn voor bezwaar wordt niet verlengd;
  • indien de termijn voor bezwaar nog niet afgelopen is op 1 augustus, wordt die automatisch op zes maanden gebracht.

2. Nieuwe politiebevoegdheden van de burgemeester

We weten reeds lang dat een burgemeester zich niet kan baseren op artikelen 134quater of 135 van de Nieuwe Gemeentewet om een inrichting te sluiten om de eenvoudige reden dat er drugs gebruikt of verkocht zouden worden. Zelfs na de hervorming van 13 mei 1999 en de invoering in de Nieuwe Gemeentewet van het begrip openbare overlast, blijven feiten die raken aan het morele aspect van de openbare orde uitgesloten van de algemene bestuurlijke politie.

Om deze mogelijkheid aan te bieden, heeft de wetgever aan de burgemeester een bijzondere politiebevoegdheid toegekend teneinde de strijd aan te binden tegen inrichtingen (private plaatsen toegankelijk voor het publiek) waar “illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de verkoop, de aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, antiseptica of stoffen die gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen”.

Hiervoor is niet de Nieuwe Gemeentewet gewijzigd, maar wel de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, door het invoegen van een artikel 9bis [2] .

De burgemeester kan ingrijpen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

    1. ernstige aanwijzingen voor illegale activiteiten die betrekking hebben op de verkoop, de aflevering, het vergemakkelijken van het gebruik van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, enz.;
    2. activiteiten die de openbare rust en veiligheid in het gedrang brengen;
    3. herhaaldelijke activiteiten;
    4. voorafgaand overleg met de gerechtelijke overheden;
    5. verplichting om voorafgaand de verantwoordelijke en diens verdedigingsmiddelen te horen.

Indien deze voorwaarden vervuld zijn, kan de burgemeester de inrichting sluiten voor een duur die hij bepaalt, maar die maximaal 6 maanden kan bedragen. Verder moet het college van burgemeester en schepenen deze beslissing bevestigen bij de eerstvolgende vergadering, anders houdt deze op uitwerking te hebben.

De maatregel kan verlengd worden voor eenzelfde duur [3] indien er nieuwe feiten worden vastgesteld, na een gunstig advies van de gemeenteraad. We gaan ervan uit dat deze feiten zich pas kunnen voordoen na het aflopen van de sluitingsperiode.

Artikel 9bis begint met de volgende bewoordingen “Onverminderd de bevoegdheden van de rechterlijke instanties en onverminderd het bepaalde in de artikelen 134ter en quater van de Nieuwe Gemeentewet”. Dit houdt in dat een politiebesluit geen belemmering vormt voor eventuele strafrechtelijke vervolging. Het is volgens ons wel onmogelijk dat de burgemeester een besluit aanneemt tot sluiting omwille van drugsgebruik en tegelijkertijd een andere maatregel aanneemt tot sluiting omwille van redenen van openbare orde (voor zover die laatste niet meer dan drie maanden duurt). De regels van samenloop van bestuurlijke politie geven voorrang aan de bijzondere politiemaatregel op de algemene politiemaatregel [4].

Concreet zal een politiebesluit dat de sluiting van een inrichting in deze omstandigheden oplegt, artikel 133, 2 e lid van de Nieuwe Gemeentewet beogen, alsook artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.


3. Politiemaatregelen ten opzichte van druggebruikers

Tot slot voegt artikel 38 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen een artikel 9ter in de wet van 24 februari 1921 in. Dit artikel biedt officieren van bestuurlijke politie de mogelijkheid om over te gaan tot de bestuurlijke aanhouding van iedere persoon die zich kennelijk onder invloed van verdovende of psychotrope stoffen bevindt op een voor het publiek toegankelijke plaats, indien zijn aanwezigheid voor zichzelf of een ander wanorde schandaal of gevaar veroorzaakt. In afwijking op de standaardduur van artikel 31, 3 e lid van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt [5], bedraagt de maximumduur van de aanhouding zes uur.

De persoon die het voorwerp vormt van deze maatregel, ontvangt, indien zijn toestand zulks vereist, de nodige geneeskundige zorg. De politie informeert de persoon op het moment van zijn vrijlating over de mogelijkheden inzake vrijwillige hulpverlening en deelt hem zo mogelijk nuttige adressen en contactpunten mee.


Nota

1. Voor zover die niet bijzonder van toepassing zijn op de inkomstenbelastingen (artikel 12, 1 e lid, in fine, van de wet van 24 december 1996).
2. Artikel ingevoegd door middel van artikel 37 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen.
3. Dit wil volgens ons zeggen voor een duur die gelijkstaat met de oorspronkelijk voorgeschreven duur en niet voor zes maanden.
4. We herhalen eveneens de rechtspraak van de Raad van State Horex I en II (arresten nr. 82.188 van 6 september 1999 en arrest nr. 82.276 van 16 september 1999).
5. De vrijheidsberoving kan nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval twaalf uur te boven gaan .


« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
15-08-2006
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links