Federaal plan inzake duurzame ontwikkeling 2004-2008: federaal, maar ook gemeentelijk

Het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling (FPDO) 2004-2008, het tweede in zijn soort, werd goedgekeurd door de Ministerraad op 24 september 2004 en is in werking getreden voor 4 jaar. In die periode zal de federale regering de 31 acties die erin opgenomen zijn, in de praktijk omzetten.


Dit plan is de essentie en de motor van het hele beleid omtrent duurzame ontwikkeling van de federale regering. Bij de diagnose en de prioriteiten die in ieder plan vastgelegd worden, komen tevens de ontsluiting van de diensten, de ontwikkeling van een integrale en langetermijnvisie, de sensibilisering en de participatie van de burgersamenleving.

Het FPDO is het resultaat van een lang proces van overleg, raadpleging, participatie en evaluatie. Eind 2002 is de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (ICDO) begonnen met de besprekingen voor de voorbereiding van het voorontwerp van het nieuwe plan.

Een integrale aanpak

Het plan inzake duurzame ontwikkeling is een "meta-plan", d.w.z. dat het de andere instrumenten die voor de federale regering gecreëerd zijn moet verbinden, volgen en steunen, zoals het nationaal klimaatplan, het federaal ozonplan, het nationaal actieplan milieu-gezondheid (NEHAP), een ontwerp van integraal productenbeleidsplan, een ontwerp van nationaal mobiliteitsplan, het nationaal actieplan voor sociale inclusie … Met andere woorden, deze horizontale aanpak zorgt voor de globale coherentie van de instrumenten.

De ICDO streeft ook naar coherentie met verschillende machtsniveaus. Die verticale aanpak verklaart dat de thema's komen uit de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling (Göteborg 2001) , die de Belgische regering onderschreven heeft. Naast de Europese strategie inzake duurzame ontwikkeling is in het FPDO 2004-2008 ook de eindverklaring opgenomen van de wereldtop van Johannesburg van augustus 2002 die de landen ondermeer vraagt een nationale strategie voor duurzame ontwikkeling uit te werken voor 2005.

6 thema's voor 31 acties

Het definitieve plan omvat de 6 prioritaire thema's uit de Europese strategie:

  • de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting
  • omgaan met de gevolgen van de vergrijzing van de bevolking
  • het opvangen van de gevaren voor de volksgezondheid
  • een verantwoorder beheer van de natuurlijke rijkdommen
  • de beperking van de klimaat­veranderingen en het intensiever gebruik van schone energie
  • de verbetering van het vervoersysteem.
De 31 acties in het plan tonen het "transversale": ze zijn vaak met elkaar verweven en hebben betrekking op verschillende thema's. Daarom zijn ze niet meer per thema geklasseerd, zoals dat in het voorontwerp het geval was.

Voor de gemeenten?

Hoewel het FPDO niet rechtstreeks tot de gemeenten gericht is, kan het hun toch ideeën geven om hun eigen beleid voor duurzame ontwikkeling uit te stippelen of mogelijkheden voor nieuwe projecten/diensten te vinden.

De nationale strategie voor duurzame ontwikkeling, één van de prioriteiten van federaal minister Els Van Weert, beoogt net de uitbouw van een gemeenschappelijke visie tussen alle machtsniveaus in België - de federale overheid, de Gewesten, de Gemeenschappen en de lokale besturen - zodat iedereen op zijn niveau gecoördineerd kan werken. In afwachting kan iedere gemeente al dan niet in het kader van een lokale Agenda 21 zijn steentje bijdragen en meewerken aan de realisatie van het federale plan. Gezien hun bevoegdheden kunnen zij immers rond verscheidene thema's werken. Zonder exhaustief te willen zijn, overlopen wij de mogelijkheden voor de gemeenten:
  • De gemeente kan een observatorium voor de huisvesting oprichten om de strijd aan te binden tegen verkrotting en huisjesmelkerij. Zij waakt over de correcte toepassing van de nieuwe wooncode en zorgt voor woningen aan rechtvaardige prijzen voor kansarmen (actie 3: fatsoenlijke en betaalbare huisvesting).
  • De gemeente kan ook gedecentraliseerde diensten aanbieden, die dicht bij de burger staan en voor iedereen makkelijk toegankelijk zijn (openbaar vervoer, toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit) en waar men eenvoudige administratieve stappen kan ondernemen met de bijstand van gemeentebeambten (actie 7: buurtdiensten ontwikkelen).
  • De gemeente kan er ook over waken dat haar financiële beleggingen (bijv. pensioenfonds) niet gebruikt zouden worden voor de productie van wapens of voor ondernemingen die de regels van de Internationale Arbeidsorganisatie niet naleven (actie 8: ethische beleggingen). [De uitgeverij Labor heeft in 2003 een gids uitgegeven over ethische en solidaire beleggingen]
  • Een globaal en doeltreffend preventiecontract dat zich toespitst op de oorzaken van geweld (racisme, werkloosheid, individualisme, …) of de organisatie van multiculturele evenementen en de sensibilisering van de bevolking voor ontwikkelingssamenwerking valt ook onder actie 13: geweld voorkomen.
  • Actie 15 (minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen) wordt verwezenlijkt via een rationeel gebruik van de middelen: renovatie i.p.v. afbraak-wederopbouw, gebruik van hout met FSC-label, regenwater opvangen en hergebruiken, zo veel mogelijk gerecycleerd materiaal gebruiken. Het aankoopbeleid dient de voorkeur geven aan herstelbare, recupereerbare en recycleerbare artikelen (bijv. gerecycleerd papier, hervulbare potloden en balpennen) en milieuvriendelijke schoonmaakproducten. De lokale overheid moet afvalsortering intern en bij de bevolking aanmoedigen. Dat brengt ons tot actie 17 (voorbeeld­functie van de overheid), die ook kan leiden tot het verkrijgen van het label van ecodynamische onderneming.
  • Aangezien leefmilieu één van de drie pijlers van duurzame ontwikkeling is, kan de bescherming van de biodiversiteit van actie 18 in de praktijk omgezet worden door de gemeentelijke betrokkenheid bij de uitwerking van een groen netwerk of, in een ander domein, door de beperking van pesticiden en het opteren voor inheemse plantensoorten.
  • Een energie-audit van de gebouwen, een energieboekhouding, de sensibilisering van het personeel voor rationeel energiegebruik, de vervanging van oude verwarmingsketels door hoogrendementsketels of nog de plaatsing van zonnepanelen en windmolens behoren tot actie 21: een duurzaam energiebeleid.
  • Bij de constructie van nieuwe gebouwen moet men denken aan de zogenaamde "passieve" huizen (met driedubbele beglazing en 25 cm isolatie of meer) om mee te doen aan actie 23: energiezuinige gebouwen.
  • De gemeenten die een gemeentelijk mobiliteitsplan (GMP) en een ondernemingsvervoerplan uitwerken, doen mee met actie 27 "zich anders verplaatsen", terwijl actie 30 "minder vervuilende voertuigen" inspeelt op de keuze van voertuigen op gas of hybride voertuigen (rijdt deels op benzine en deels op elektriciteit) bij de vernieuwing van het wagenpark.

Deze voorbeelden tonen dat het federaal plan de gemeenten echt aanbelangt, zowel in acties die zij reeds voeren als in acties die zij op het getouw kunnen zetten. Duurzame ontwikkeling richt zich tot iedereen.

Meer informatie

U vindt het Plan en het voorontwerp op de website van de ICDO - zie ook de website van de Plan.


Ontstaan van het 2e Plan

De ICDO heeft werkgroepen samengesteld voor ieder van de 6 thema's van de Europese strategie, waarin ook vertegenwoordigers van de gewest- en gemeenschapsregeringen zitten. "Verkenners" hebben het werk van de 6 groepen voorbereid. Hun verkennende nota's draaiden rond 3 fundamentele vragen: Hoe behandelt de Europese Unie de thema's van de beslissingen van Göteborg en Johannesburg? Wat zijn de verwezenlijkingen en projecten in België op de verschillende machtsniveaus? Hoe kan ieder thema benaderd worden?

Een eerste globale versie van het voorontwerp van plan werd in juli 2003 voorgesteld. Op die basis heeft de ICDO een amendementssessie georganiseerd. Tegelijk heeft de ICDO het advies gevraagd van het vormingsinstituut van de federale administratie (Adviesbureau voor Leesbaarheid) over de leesbaarheid van de tekst. Die amendementen en reacties werden behandeld door de werkgroepen en eind augustus bekeek de ICDO een tweede versie. Na die vergadering werd er een derde versie opgesteld. Nadat minister Van den Bossche kennis genomen had van het voorontwerp, heeft zij overleg georganiseerd met de diensten van de andere leden van de federale regering om de link te versterken met de regeringsverklaring teneinde de politieke basis van het voorontwerp van het plan te verruimen. Daardoor sluit het plan beter bij het regeerakkoord aan. Door deze eerste lezing op politiek niveau is het plan een realistischer en worden er vooraf lijnen afgetekend die niet overschreden mogen worden. Op 16 december 2003 nam de ICDO in aanwezigheid van de minister de tekst door en hebben de aanwezige federale leden van de ICDO hem unaniem goedgekeurd.

De openbare raadpleging had als tweeledig doel het voorontwerp van het plan bekend te maken en de bevolking de mogelijkheid te bieden om zich erover uit te spreken. De traditionele kanalen werden gebruikt: aankondigingen met bestelbon in de pers, regeringsmededelingen op radio, persconferenties, affiches in de gemeentehuizen, bibliotheken en andere lokalen waar het voorontwerp geraadpleegd kon worden en conferenties voor het grote publiek in iedere provincie. De raadpleging van 15 februari tot 14 mei 2004 was een geslaagd initiatief, omdat er meer dan 6.000 opmerkingen opgetekend werden [Dat is weinig ten opzichte van het aantal Belgen en de resultaten van raadplegingen in andere domeinen, maar veel ten opzichte van het aantal reacties op de raadpleging van het eerste plan], geformuleerd door verenigingen maar ook door ngo's, buurtcomités, bewoners en besturen waaronder uiteraard de gemeenten.

Vervolgens heeft de ICDO de verschillende adviezen in de werkgroepen bestudeerd. Het ontwerp van plan is daar de vrucht van. Het werd op 15 juli aan de regering voorgelegd en op 24 september jl. goedgekeurd.


Wie doet wat?

De ICDO

De Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling heeft de eindverantwoordelijkheid van het voorontwerp van Plan, waarover een ruime raadpleging georganiseerd wordt. De commissie behandelt de adviezen en opmerkingen die ze ontvangt en verwerkt ze in het ontwerp van Plan.

De ICDO bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere minister, een vertegenwoordiger van iedere programmatorische en iedere federale overheidsdienst. De regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen beschikken allemaal over een vertegenwoordiger in de ICDO. In 2003 is de commissie 9 maal samengekomen.

De PODDO

De Programmatorische Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling is de administratie van de minister die bevoegd is voor duurzame ontwikkeling en heeft als taak:

- de voorbereiding van het beleid inzake duurzame ontwikkeling;
- de coördinatie van de uitvoering van het beleid inzake duurzame ontwikkeling;
- de terbeschikkingstelling van expertise.

De Task Force Duurzame Ontwikkeling van het Federaal Planbureau

De task force duurzame ontwikkeling is een onafhankelijke administratie die bestaat uit 4 personen en samen met de ICDO het voorontwerp van federaal plan opstelt en om de 2 jaar het federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling opstelt, een evaluatie en follow-up van het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling.

De FRDO

De Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling werd in 1997 opgericht ter vervanging van de Nationale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (NRDO). In de eerste plaats geeft hij adviezen aan de regering " over het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling; bijzondere aandacht gaat daarbij naar de uitvoering van internationale verbintenissen van België" . Deze Raad geeft ondermeer zijn advies over het voorontwerp van federaal plan inzake duurzame ontwikkeling. Het is tevens een discussieforum waar verschillende actoren van de burgersamenleving elkaar ontmoeten. Tot slot sensibiliseert de FRDO organisaties en burgers voor het concept duurzame ontwikkeling.

De FRDO bestaat uit vertegenwoordigers van iedere minister of staatssecretaris, van ieder Gewest en iedere Gemeenschap, van ngo's voor milieubescherming, ngo's voor ontwikkelingssamenwerking, ngo's voor de verdediging van de belangen van de consument, organisaties van werknemers, organisaties van werkgevers, energieproducenten, de wetenschappelijke wereld, wetenschappelijk adviseurs en andere observatoren. De Federale Raad beschikt over een secretariaat van 8 personen en een dotatie op de federale begroting.

« Terug

Auteur(s)

Frédéric MADRY, Philippe DELVAUX
Laatste update
15-12-2004
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links