De kaderrichtlein water : welke rol voor de lokale overheid ?

In januari 2003 heeft de Vereniging in samenwerking met het WWF een seminarie over water georganiseerd voor de gemeenten, in het kader van het internationaal jaar van het zoet water. Philippe Weiler, hoofd van de eenheid FreshWater van het WWF, schetst ons de actiemiddelen van de lokale besturen voor de toepassing van de kaderrichtlijn over water die momenteel in het Belgisch recht wordt omgezet.


In het kader van een door de Europese Commissie gesubsidieerd project besteedt de eenheid zoet water van WWF-Belgium speciale aandacht aan de rol van lokale overheden in het integraal waterbeleid [1]. Binnen het perspectief van wat de Kaderrichtlijn Water oplegt, is dit een uiterst zinvolle invalshoek. Bij talrijke projecten die onze NGO sedert jaren in verschillende delen van Europa leidt, is de rol van de lokale overheden en andere lokale partners overigens essentieel gebleken voor de ontwikkeling en het beheer van milieuprojecten.

In de lijn van die activiteiten heeft een vruchtbare samenwerking tussen de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en WWF geleid tot de organisatie van het seminarie "Naar een geïntegreerd waterbeleid in Brussel", gericht op de situatie van het Brussels Gewest.

Een Europese richtlijn gericht op de toekomst


De Kaderrichtlijn Water [2] (KRW) is een gedurfd en strikt naar de toekomst gericht instrument met belangrijke implicaties voor het beheer van zoetwater-ecosystemen over heel Europa. Indien ze op exhaustieve en doeltreffende wijze wordt toegepast, kan de KRW de eerste richtlijn voor 'duurzame ontwikkeling' in de EU worden. Ze verplicht de Europese landen ertoe een geïntegreerd beheer van de stroomgebieden te voeren: het is vooral belangrijk het geheel van natuurlijke processen en menselijke activiteiten die de watercyclus in een bepaald stroomgebied beïnvloeden, in overeenstemming te brengen.

Het voornaamste kenmerk van de KRW, die alle andere elementen van de tekst bepaalt, is het gebruik van stroomgebieden als vertrekpunt voor de ontwikkeling van beheerplannen en maatregelenprogramma’s. De KRW erkent dat water de fysieke en hydrologische grenzen van de bekkens respecteert, maar niet de politieke en administratieve grenzen.

In principe wil de KRW via de ontwikkeling en de uitvoering van deze beheerplannen op uniforme wijze binnen de 15 jaar (tegen 2015) een “goede toestand” bereiken voor alle oppervlakte- en grondwateren over heel Europa.

De gemeente kan voor verandering zorgen


De gemeente beschikt over een brede waaier aan instrumenten die haar in staat stellen positieve actie te voeren op het vlak van waterbeheer. Zo kan de gemeente bijdragen tot de verwezenlijking van de milieudoelstelling van "goede toestand" voor alle wateren, zoals bepaald door de KRW. Bij wijze van voorbeeld kunnen we op lokaal vlak vier prioritaire thema’s onderscheiden:

1. De ecologische aanleg van waterlopen, waterrijke gebieden en overstromingsgebieden vormt één van de centrale punten in het integraal waterbeleid. In België werd er jarenlang een beleid van harde aanpassing van de waterlopen gevoerd: talrijke waterlopen werden rechtgetrokken en gekanaliseerd, oevers gebetonneerd, rivierarmen afgesneden, waterrijke gebieden opgevuld… Vandaag moeten gewestelijke en lokale overheden in het kader van de KRW de waterrijke gebieden en de overstromingsgebieden op een alternatieve, natuurvriendelijke wijze beheren om overstromingen te vermijden. Om deze problemen op te lossen, bestaan tal van concrete, dikwijls eenvoudige maatregelen:
  • gebruik van natuurvriendelijke oeverversteviging
  • ontwikkeling van een gemeentelijk reglement voor de bescherming van waterrijke gebieden
  • onderhoud en ontwikkeling van een efficiënte bosbedekking, opdat regenwater bovenstrooms langer kan worden vastgehouden
  • overstroming in stedelijk gebied vermijden o.a. door het herstel en herwaardering van grachtenstelsel

2. Een tweede belangrijke element is een rationeel watergebruik. Een groot deel van het beschikbare water is nodig voor het in stand houden van zoetwater-ecosystemen, of het nu gaat om waterlopen of terrestrische ecosystemen, zoals waterrijke gebieden. In België wordt echter meer dan 40 % van het totale beschikbare water gebruikt, dat is het hoogste % van alle OECD landen. Het huishoudelijk verbruik vertegenwoordigt ongeveer één derde van het totale verbruik in België. Om dit fenomeen tegen te gaan, bestaan er op lokaal niveau ook hier tal van (eenvoudige) mogelijkheden:
  • rationeel watergebruik thuis, in gemeentegebouwen en KMO’s
  • gebruik van regenwater
  • infiltratie van regenwater
  • gebruik van groendaken
Concreet kan de gemeente een reeks stimulerende of verplichtende maatregelen treffen: sensibilisatiecampagnes, stedenbouwkundige vergunning waarbij het installeren van een regenwaterput en het gebruik van regenwater verplicht worden, installatiepremies, de verplichting tot het gebruik van waterdoorlatende materialen voor grote oppervlaktes in nieuwe bouwzones (parkings), een heffing op de ondoordringbare oppervlaktes die aangesloten zijn op de rioleringen, ….

3. Ten derde spelen de gemeenten een belangrijke rol bij de preventie en de bestrijding van de vervuiling van ons oppervlakte- en grondwater. Het aanleggen van openbare rioleringen is ongetwijfeld één van de bekendste bevoegdheden van de gemeenten. Maar de gemeenten kunnen ook op heel wat andere domeinen bijzonder actief zijn: kleinschalige waterzuiveringsinstallaties, verplichting tot aansluiting van particulieren op het rioleringsnetwerk, verplichting om regen- en afvalwater gescheiden af te voeren, premies om regenwater los te koppelen van het rioleringsnetwerk bij bestaande huizen, het gebruik van milieuvriendelijke huishoudproducten, ook binnen de gemeenten (vermijden van kunstmest, pesticiden, bouwmateriaal bestaande uit zware metalen…), en ten slotte de sensibilisatie omtrent de hierboven vermelde onderwerpen.

4. Vierde element dat ook op lokaal niveau van belang zal zijn, is de in artikel 14 vermelde verplichting om de actieve participatie van alle betrokken partijen bij de uitvoering van deze richtlijn aan te moedigen. Een open en doeltreffende verspreiding van informatie is een eerste belangrijke fase, maar is geen garantie voor een geslaagd integraal waterbeleid. Bovendien volstaan volksraadplegingen of openbare onderzoeken niet om ten volle te kunnen participeren in het beleid.


Het is dus van belang te erkennen dat de verschillende stakeholders die het ‘publiek’ vormen hun eigen meningen, behoeften, prioriteiten, knowhow en verwachtingen hebben. Om succes te garanderen, moeten de informatie-, consultatie- en participatieprocessen worden aangepast:
  • aan de specifieke doelgroepen: de deelname van belangenorganisaties moet op een strategisch niveau verlopen, bijvoorbeeld door vertegenwoordiging bij de adviesraden van de internationale rivierbekkens. De lokale gemeenschappen van hun kant moeten voornamelijk op het vlak van actieprogramma’s en op het terrein kunnen participeren.
  • aan de territoriale schaal: zo zal de deelname op het vlak van rivierbekkens verschillen van die op het vlak van deelbekkens.
Als kleinste administratieve entiteit van het land speelt de gemeente op twee niveaus een belangrijke rol bij de publieke participatie:
  • tussen de gemeente en het Gewest: de gemeenten delen hun kennis en bezorgdheid mee in verband met het beheerplan en het maatregelenprogramma voor stroomgebieden en deelbekkens;
  • tussen de gemeente en haar inwoners door hen te betrekken bij het lokale bestuur.

Ook op deze website een voorbeeld van toepassing van de richtlijn :
Hoe streeft de gemeente Ukkel naar rationeel watergebruik bij de herinrichting van een autowasplaats?

Juridische kader


Richtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (de "Kaderrichtlijn Water" genoemd), Europees Parlement, 2000/60/EG, 23/10/2000, Europees Publicatieblad reeks L 327 (22/12/2000).


« Terug

Auteur(s)

Philippe WEILER
Laatste update
03-03-2003
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links