Opgelet voor belastingen die als berekeningsbasis het zakencijfer nemen

In een vernietigingsarrest van 22.05.2008 verduidelijkt de Raad van State dat een gemeentebelasting berekend op het bruto-bedrag van de allerhande inkomsten - voor zover dit wordt beschouwd als een essentieel element bij het bepalen van de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting (de gerealiseerde omzet) - het verbod miskent van artikel 464 1° van het WIB 1992.


Artikel 464 1° van het WIB 1992 verbiedt provincies, agglomeraties en gemeenten om opcentiemen te heffen op de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen, op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft. Voor de aanvullende personenbelasting is een uitzondering opgenomen in artikel 465 van het BIW 1992. Het verbod in artikel 464 1° van het BIW 92 is volledig conform de bewoordingen van artikel 170 § 4, lid 2 van de Grondwet, dat de federale wetgever het recht geeft om de gemeentelijke fiscale autonomie te beperken.

Specifiek geval


De Raad van State oordeelde in zijn arrest van 22.05.2008 [1] dat de door de Stad Charleroi geheven belasting op filmzalen zodanig was opgesteld dat de belastbare basis een aantasting vormde op deze die de wet voorbehoudt voor de inkomstenbelasting. De belasting werd immers berekend op het bruto-bedrag van de allerhande inkomsten, verminderd met 5,66 %. De Raad van State was van mening dat dit een essentieel element is bij het vaststellen van de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting (de gerealiseerde omzet).

Controverse


Het arrest van 22.05.2008 is belangrijk omdat de Raad van State zich zeer duidelijk uitdrukt over de onwettelijkheid van een gemeentebelasting die de omzet neemt als belastbare basis.

Bepaalde feitenrechters hebben echter een beslissing genomen die hier volledig tegen indruist. Dit blijkt onder meer uit een vonnis van 26.10.2005 van de Luikse rechtbank van eerste aanleg. Volgens het vonnis, over een belasting op spektakels en ontspanning, komt de beslissing dat een lokale belasting verboden moet worden krachtens artikel 464, 1° BIW 92, omdat deze enkel vereffend zou kunnen worden met middelen die reeds belast werden door de staat, overeen met het beslissen dat eender welke gemeentebelasting beschouwd moet worden als een belasting die gelijkstaat met een inkomstenbelasting [2].

Gevolg


We raden ten zeerste aan om de aanwijzingen van de hoogste administratieve rechtsinstantie op te volgen en om, behalve voor alles wat de aanvullende personenbelasting en roerende voorheffing betreft, geen belasting te heffen die als basis een element neemt van het belastbaar inkomen van de belastingplichtige [3].


Nota

1
RvS, arrest nr. 183.202, sprl SENPRO c/ Stad Charleroi, Inforum 231307

2
Voor een volledige en vrij onverbiddelijke analyse van dit vonnis, zie V. SEPULCHRE, in Rev. dr. comm., 2008/1, blz. 18 e.v., Inforum 227230

3
Voor de belasting op spektakels, berekend op basis van het omzetcijfer, identificeert Vincent Sépulchre een juridische basis die gemeenten wel toelaat om deze te heffen, ongeacht het verbod van artikel 464 van het WIB 92. Zie het in voetnoot 1 vermelde artikel, blz. 29. Niettemin is het innen van een openingsbelasting, in tegenstelling tot wat gebeurt op het vlak van phone shops of night shops, een oplossing die volgens ons de voorkeur moet krijgen.

« Terug

Auteur(s)

Benoît MARCQ
Laatste update
07-10-2008
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links