Het bevel tot betaling als verjaringstuitende handeling inzake fiscale aangelegenheden

Het bevel tot betaling wordt algemeen beschouwd als de eerste daad van tenuitvoerlegging van de gedwongen invordering van de belasting.

Gemeentebelastingen moeten binnen een termijn van 5 jaar vanaf de datum van hun opeisbaarheid worden ingevorderd. Het bevel tot betaling, samen met de executoriale titel, stuit deze verjaringstermijn. Naar aanleiding van een wetswijziging in 2004 geldt het bevel tot betaling voortaan als stuitende akte van de verjaringstermijn, zelfs indien het bevel werd verstuurd om de betaling van betwiste aanslagen te eisen.


Artikel 12 van de wet van 24.12.1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen maakt artikelen 443bis en ter van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van toepassing inzake gemeentebelastingen. Bijgevolg moeten zij worden ingevorderd binnen een termijn van 5 jaar vanaf de datum van hun opeisbaarheid [1].

Artikel 443bis van het WIB 1992 verwijst naar de redenen voor stuiting van de verjaring, zoals bepaald in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen [2].

Het bevel tot betaling kan worden gedefinieerd als de handeling waarmee een gerechtsdeurwaarder een executoriale titel betekent aan een schuldenaar en hem gelast de verplichtingen na te komen die daarmee gepaard gaan. In geval van weigering zal de openbare macht tegen hem worden aangewend [3].

In twee arresten die werden uitgesproken op 10.10.2002 en 21.02.2003, wees het Hof van Cassatie er nogmaals op dat het bevel tot betaling de verjaringstermijn enkel kan stuiten indien het vergezeld is van een executoriale titel (waaronder het bevelschrift). Uit een gecombineerde lezing van artikel 409 en 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen blijkt echter dat het bezwaar of het beroep inzake fiscale aangelegenheden de opeisbaarheid van de belasting opschort voor het betwiste deel van deze belasting [4].

In dat geval kon een bevel tot betaling dus niet zijn betekend met een executoriale titel omdat de opeisbaarheid van de belasting opgeschort was. Enkel bewarende maatregelen waren mogelijk. Deze situatie benadeelde ongetwijfeld de fiscus aangezien de verjaringstermijn toch verder liep [5].

Om deze laatste reden heeft de programmawet van 31.10.2003 de artikelen 443bis en 443ter in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen ingevoegd [6]. Deze artikelen zijn van toepassing op de geldende procedure bij gemeentebelastingen en wijzen er onder meer op dat het bezwaar of de rechtsvordering de verjaringstermijn opschort. Het optreden van de wetgever was zeker gerechtvaardigd gezien de typische traagheid van de bezwaarprocedures.

De invordering van bepaalde fiscale schuldvorderingen bleef echter bedreigd door het verstrijken van de verjaringstermijn en waarvan, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Cassatie, hoger reeds sprake is. Voor lopende zaken vóór de inwerkingtreding (op 10.01.2004) van artikel 297 van de programmawet van 31.10.2003 die artikel 443bis en ter invoegde in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, was er geen sprake van te overwegen dat het bevel dat betekend is aan de belastingplichtige, kon gelden als stuitende akte, zoals bedoeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen, opnieuw aan de hand van een bepaling in een programmawet [7], om artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek op de volgende wijze te interpreteren:

Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft.

Aangezien het gaat om een zogenaamde “interpretatieve” wettelijke bepaling, wordt deze bepaling geacht de tekst van het artikel dat zij interpreteert, verplicht voor te lezen zodra dit artikel in werking treedt. In een recent arrest van 17.01.2008 dat een uitspraak deed over een rechtszaak in verband met betekende bevelen voor betwiste aanslagen, was het Hof van Cassatie echter van mening dat de bovengenoemde bepaling geen interpretatieve bepaling was omdat zij een bepaalde interpretatie gaf aan de aangelegenheid van de inkomstenbelastingen terwijl volgens het Hof een interpretatieve bepaling geen verschillende betekenis kan geven aan een concept met algemene draagwijdte, naargelang van de materie waarop de bepaling wordt toegepast.

Zeer tot de schade van de belastingplichtigen die op die manier hun beroep verworpen zien, voegt het hoogste rechtscollege echter toe dat het de taak van de rechter is om zich te schikken naar de wensen van de wetgever … [8].


Besluit


De interpretatieve bepaling in artikel 49 van de programmawet van 09.07.2004 heeft een kleine revolutie meegebracht. Zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak werd immers algemeen aangenomen dat het bevel tot betaling slechts stuitend was indien het vergezeld was van een executoriale titel. Bijgevolg had het geen zin om het bevel te betekenen aan de belastingplichtige voor een aanslag die hij volgens de regels had betwist, aangezien in overeenstemming met artikel 409 en 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van 1992 de uitvoeringsmaatregelen ten aanzien van de betwiste belasting opgeschort waren.

De wetgever trad vervolgens twee keer op.

Enerzijds heeft hij ervoor gezorgd dat de indiening van bezwaren of andere vormen van beroep niet tot het verstrijken zonder controle van de verjaringstermijn leidt [9]. Anderzijds heeft hij de fiscus in de mogelijkheid gesteld om een reden voor stuiting van verjaring aan te voeren indien een bevel betekend wordt voor betwiste aanslagen.

Het bevel tot betaling om een stuiting van verjaring te verkrijgen, al dan niet vergezeld van een executoriale titel, moet naar onze mening altijd worden betekend door bemiddeling van een gerechtsdeurwaarder, in overeenstemming met artikel 32, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek [10].

Bijgevolg zou een eenvoudige brief tot ingebrekestelling van de ontvanger niet voldoende mogen zijn om stuiting van verjaring te verkrijgen.

Voetnoten

1. Behalve indien de gemeentekas gevaar loopt, is de belasting over het algemeen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet invorderbaar (artikel 3 van de wet van 24.10.1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen).

2. De stuiting van de verjaringstermijn doet op basis van de akte die de stuiting concretiseert, een nieuwe verjaringstermijn beginnen. De opschorting van de verjaringstermijn stelt enkel het verloop van de verjaring uit, die weer voortloopt wanneer de reden voor opschorting verdwijnt.

3. J. ASTAES & M. LEVIS, Les impôts communaux. Généralités. Recouvrement, Vanden Broele, Brugge, p. 166.

4. Enkel het onbetwistbaar verschuldigde bedrag kan onmiddellijk worden ingevorderd. Over deze kwesties, zie J.-P. MAGREMANNE & F. VAN DE GEJUCHTE, La procédure en matière de taxes locales. Etablissement et contentieux du règlement-taxe et de la taxe. Brussel, Larcier, p. 216 e.v.

5. Sommigen hadden beweerd dat voor zover de opeisbaarheid van de belasting opgeschort was, het verloop van de verjaring eveneens opgeschort was, aangezien de verjaringstermijn normaal gezien begint te lopen wanneer de belasting opeisbaar is. Deze oplossing lijkt niet te zijn gekozen in de rechtspraak (zie artikel van Gilles Carnoy op www.businessandlaw.be/article769.html).

6.
Deze bepalingen vormen hoofdstuk IXbis tot titel VII van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en zijn dus van toepassing op de gemeentebelastingen (zie artikel 12 van de wet van 24.10.1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen).

7. Zie artikel 49 van de wet van 09.07.2004 (BS 15.07.2004).

8.
Het is belangrijk te vermelden dat artikel 49 van de wet van 09.07.2004 de grondwettelijke goedkeuring van het Grondwettelijk Hof had gekregen, dat in zijn arrest nr. 177/2005 heeft kunnen overwegen dat “de maatregel is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden en is ingegeven door dwingende motieven van algemeen belang”. Deze goedkeuring was absoluut noodzakelijk aangezien de bepaling een terugwerkende kracht heeft. Bovendien oordeelde het Hof dat dezelfde bepaling artikel 10 en 11 van de Grondwet niet schond.

9. De tekst van artikel 443ter dat werd ingevoegd door de programmawet van 31.10.2002, is in dit opzicht beslist duidelijker dan de tekst van het derde lid van artikel 145 van het KB/WIB 92.

10. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek spreekt duidelijk van een “betekening”. Dit is eveneens het standpunt van J. ASTAES & M. LEVIS, op. cit., p. 178.



Wettelijke basis

  • Wet van 24.12.1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen (BS 31.12.1996 – Inforum 27708). Een gecoördineerde versie van de wet is beschikbaar op onze website. Artikel 12 werd gewijzigd door de wet van 15.03.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (BS 27.03.1999 – Inforum 161804)
  • Arrest van het Hof van Cassatie (1ste K) van 10.10.2002, Pas., b. 9, p. 1892 (Inforum 209835)
  • Arrest van het Hof van Cassatie (1ste K) van 21.02.2003, Pas., b. 2, p. 385 (Inforum 185581)
  • Programmawet van 22.12.2003 (BS 31.12.2003 - Inforum 190190)





« Terug

Auteur(s)

Benoît MARCQ
Laatste update
28-03-2008
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links