Gedaan met de vrije wapendracht - commentaar van de wet van 08.06.2006

De wet van 8 juni 2006 beperkt voor particulieren de mogelijkheden om een vuurwapen te bezitten en versterkt de voorwaarden waaraan verkopers moeten voldoen.


Door de dubbele moord van mei 2006 in Antwerpen heeft de wetgever de hervorming van de wapenwetgeving versneld uitgevoerd. Deze moest nog geharmoniseerd worden met de Europese Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens en aangepast worden aan de geest van het Aanvullend Protocol tegen de ongeoorloofde vervaardiging van en handel in vuurwapens, de onderdelen, componenten en munitie ervan, bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad, geratificeerd door de wet van 24 juni 2004 [1]. Slechts één maand na de feiten werd de wet van 8 juni 2006 aangenomen houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, verschenen in het Staatsblad van 9 juni 2006.

Zonder in detail te treden merken we op dat de nieuwe wetgeving de mogelijkheden vermindert om een wapen te houden. De lijst van verboden wapens is verlengd (automatische vuurwapens zijn onder meer toegevoegd aan de lijst van verboden wapens ). Verder zijn alle vuurwapens (uitgezonderd de zogenaamde « wapens voor wapenrekken ») vergunningsplichtig; enkel jagers en sportschutters zijn onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld. De vergunning om toegelaten wapens te houden (zogenaamde verweer- en oorlogswapens) is voortaan beperkt tot 5 jaar, te tellen vanaf de afgifte of de laatste wijziging ervan waarvoor retributies werden geïnd. Voor andere types wapens (alarmwapens, wapens voor wapenrekken, seinpistolen, verdovingsgeweren, slachttoestellen, bogen, kruisbogen, wapens op lucht-, gas of veerdruk, paintballwapens, namaakwapens, niet-verboden messen, zwaarden, degens, bajonetten, geneutraliseerde wapens, …), blijft alles bij het oude voor zover het desbetreffende wapen niet reeds vergunningsplichtig was, in welk geval dit geldig blijft voor een duur van vijf jaar, zoals hierboven reeds vermeld is [2].


Wat zijn de gevolgen voor de lokale overheden?

De wet van 8 juni 2006 betrekt lokale overheden bij het beheer en de controle over de handel en het houden van vuurwapens, zowel wat de professionele activiteiten met vuurwapens betreft als het bewaren en verspreiden van wapens.

Professionele activiteiten met vuurwapens

Iedere persoon die het beroep van wapenhandelaar of tussenpersoon wenst uit te oefenen, en verzamelaars van vuurwapens dienen een erkenning te krijgen afgeleverd door de provinciegouverneur (of van het administratieve arrondissement van Brussel Hoofdstad) van de vooropgestelde vestigingsplaats [3]. De kandidaat wapenhandelaar of tussenpersoon dient bovendien zijn beroepsbekwaamheid te bewijzen (kennis van de regelgeving en de deontologie, en van de techniek en het gebruik van wapens – artikel 5, § 2 van de wet [4]).

De erkenning kan enkel geweigerd worden indien de aanvrager het voorwerp uitmaakt van één van de verbodsbepalingen van artikel 5, § 4 van de wet [5] of voor redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde (artikel 5, § 3 van de wet). Hiertoe geven de burgemeester en de procureur des Konings elk een met redenen omkleed advies over de aanvraag (artikel 5, § 3 van de wet). De tekst verduidelijkt dat “de procureur des Konings en de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de woonplaats van de aanvrager” dit advies geven, waaruit wij besluiten dat indien deze twee plaatsen niet gelegen zijn in dezelfde gemeente, de twee burgemeesters een met redenen omkleed advies dienen te verlenen aan de gouverneur (idem voor de procureur des Konings indien de vestigingsplaats en de woonplaats niet in hetzelfde gerechtelijk arrondissement gelegen zijn).

De erkenning kan worden beperkt tot bepaalde verrichtingen of tot bepaalde soorten wapens en munitie (artikel 7, § 1 van de wet). De gouverneur kan de erkenning eveneens schorsen, intrekken of beperken indien de houder behoort tot één van de categorieën van artikel 5, § 4, de wet van 8 juni 2006 of de besluiten niet naleeft, onjuiste inlichtingen heeft verstrekt om de erkenning te verkrijgen, gedurende een jaar de activiteiten waarop de erkenning betrekking heeft niet heeft uitgeoefend of samen met de activiteiten waarvoor de erkenning is verkregen activiteiten heeft uitgeoefend die de openbare orde kunnen verstoren (artikel 7, § 2 van de wet).

De burgemeester of de gouverneur kan ook optreden tijdens de exploitatie van de inrichting. Indien hij vaststelt dat een winkel of opslagplaats van wapens of munitie een gevaar vormt voor de openbare orde of de fysieke integriteit van personen, wat hij concreet dient aan te tonen [6], kan de burgemeester of de gouverneur de sluiting of de ontruiming en verplaatsing van deze wapens en munitie gelasten naar een door hem aangewezen plaats (artikel 28, § 1 van de wet).

De burgemeester krijgt hier een uitdrukkelijke bevoegdheid om een inrichting te sluiten om redenen die verband houden met het behoud van de openbare orde (in de zin van openbare veiligheid, aangezien wij niet zien hoe een wapenwinkel of een wapen- of munitieopslag op zich de openbare rust, gezondheid en netheid zou kunnen verstoren). Deze nieuwe bijzondere politiebevoegdheid is gebaseerd op de algemene bevoegdheid tot sluiting van een inrichting door de burgemeester omwille van de openbare veiligheid, vervat in artikel 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet. Indien de openbare veiligheid op het spel staat, kan artikel 135, § 2 dus niet meer dienen als vormelijke basis voor de uitvaardiging door de burgemeester van een politiebesluit dat de sluiting oplegt van een wapenwinkel of een opslagplaats voor wapens of munitie of er de verplaatsing van beveelt: enkel artikel 28, § 1 van de wet van 8 juni 2006 kan worden ingeroepen [7] [8].

In geval van gevaar voor de openbare orde of de fysieke integriteit van personen kan een officier van gerechtelijke politie of een officier van administratieve politie overgaan tot een administratieve inbeslagname van wapens, munitie, erkenning, erkenningen [9] en vergunningen [10] die in de wet genoemd zijn of afgeleverd zijn krachtens deze laatste (artikel 28, § 2 van de wet).

Naast het opsporen van inbreuken op de wet is de lokale politie in het bijzonder belast met de controle van wapenhandelaars en wapenfabrikanten (artikel 29 van de wet).


Het wapenbezit

Het is verboden om zonder vergunning een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie te bezitten (uitgezonderd de zogenaamde « wapens voor wapenrekken »). De gouverneur kent deze vergunning toe na het advies van de korpschef van de lokale politie te hebben ingewonnen (artikel 11 van de wet).


De omloop van wapens

De lokale politie is eveneens betrokken bij de controle, overdracht of neutralisatie van wapens, onder meer die welke in omloop zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet.

Het is vrij logisch dat de houder van de titel tot het voorhanden hebben het verlies of de diefstal van een vergunningsplichtig wapen aan hen dient te melden (artikel 10, lid 2).

Wat met wapens die men in bezit heeft op 9 juni 2006, de dag dat de wet in werking is getreden?

  • Voor een vuurwapen dat door de inwerkingtreding van de wet vergunningsplichtig is geworden, dient de houder van het wapen binnen de zes maanden een aangifte doen bij de gouverneur die voor zijn verblijfplaats bevoegd is. De aangifte gebeurt via de lokale politie (artikel 44, § 2 van de wet).
  • Een wapen dat het voorwerp uitmaakt van een vergunning onder het stelsel van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging, handel in en het dragen van wapenen en de handel in munitie, maar dat krachtens de wet van 8 juni 2006 verboden geworden is, moet de houder binnen een jaar laten omvormen tot een niet-verboden wapen, ofwel laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, ofwel overdragen aan een persoon die het mag dragen, ofwel afstaan aan de lokale politie van zijn verblijfplaats tegen een billijke vergoeding die de minister van Justitie vaststelt (artikel 45, § 3 van de wet).
  • Voor een wapen dat krachtens de wet van 3 januari 1933 vergunningsplichtig was en zonder titel werd gehouden, beschikt de houder over een vorm van amnestie, aangezien hij zes maanden de tijd krijgt om een vergunning aan te vragen zonder voor dit misdrijf te kunnen worden vervolgd, voor zover het betrokken wapen niet wordt gezocht of geseind staat. De Koning bepaalt de procedure voor de aanvraag van de vergunning (artikel 44, § 1 van de wet).
  • Van een vuurwapen (dus verboden) tot slot of een wapen waarvoor geen vergunning bestond terwijl dat krachtens de wet van 3 januari 1933 verplicht was, kan de houder gedurende een termijn van zes maanden anoniem afstand van doen bij een lokale politiedienst naar keuze zonder vervolgd te worden op basis van deze wet, voorzover het betrokken wapen niet wordt gezocht of geseind staat. De Koning regelt de procedure van de indiening en vernietiging van deze wapens en munitie (artikel 45, § 1 van de wet).

Postscriptum

1. De Nationale Unie van de Wapenmakerij en de Jacht- en Sportschutters heeft op 20 juli 2006 bij het Arbitragehof een beroep tot nietigverklaring ingediend en ook een verzoek om opheffing van de artikelen 3, § 1, 16° en 17°, en § 3, 2°, 32, 34, 35, 44, § 2, 2 e lid, en 48, 2 e lid van de wet (bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 augustus).
2. De wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen (B.S. 28 juli) heeft de wet van 8 juni 2006 reeds gewijzigd, maar het gaat om bepalingen die ons niet rechtstreeks aanbelangen (artikel 7, § 3, 1 e lid, en artikel 42).


Nota

1. Wetsontwerp houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, Memorie van toelichting, Parl. st., Kamer, nr. 51. 2263/001, G.Z. 2005/2006, blz. 7.

2. Cf. “De nieuwe wapenwet” , brochure gepubliceerd door de POD Justitie.

3. Personen die beroepsactiviteiten met vuurwapens willen uitoefenen, dienen eveneens een erkenning aan te vragen, maar volgens een procedure die de Koning nog dient te bepalen (art. 6, § 2 van de wet).

4.
Dit artikel 5, alsook de artikelen 4, 6, 7, 14, 16 tot 18, 20, 21, 25 en 30 tot 32 treden in werking op een door de Koning te bepalen datum (na overleg in de Ministerraad); de andere bepalingen van de wet zijn in werking getreden op de datum van bekendmaking in het Staatsblad, zijnde 9 juni 2006. Cf. artikel 49 van de wet.

5. Veroordeling tot een criminele straf of internering krachtens de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij, veroordeling als dader van of medeplichtige bij inbreuken op de artikelen 101 tot 135bis van het Strafwetboek, enz; minderjarigen, verlengde minderjarigen, personen uit niet-lidstaten van de Europese Unie en personen die hun hoofdverblijfplaats niet hebben in een lidstaat van de Unie zijn eveneens uitgesloten.

6. Deze verplichting herhaalt de verplichting van formele motivatie van de administratieve handeling waaruit de beslissing van de burgemeester of de gouverneur bestaat.

7. In aanvulling, uiteraard, op artikel 133, 2 e lid, van de Nieuwe Gemeentewet.

8. Indien een ander element van de openbare orde is verstoord (bvb. als het gebouw waarin de wapenwinkel gevestigd is, ongezond is) krijgt de burgemeester uiteraard zijn traditionele bevoegdheid van algemene bestuurlijke politie terug.

9. Jachtverlof (artikel 12 van de wet) en de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweerwapen (artikel 14 van de wet).

10. Voor het houden van een vuurwapen (artikel 11 van de wet).


« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
15-08-2006
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links