Herstelwet voor de administratieve sancties: palliatieve zorg of paardenmiddel?

Artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet is nogmaals gewijzigd om de werking van de administratieve sancties te verbeteren, in het bijzonder met betrekking tot de minderjarigen.


« Moet de wetgever zijn pennenvrucht nog eens ter hand nemen? » Dit vroegen wij ons af in het editoriaal artikel van mei 2004 met betrekking tot de hervorming, die wij als overhaast beschouwden, van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet. En jawel, de wetgever heeft ons gehoord … of hij heeft toch de stem van de rede gehoord die weerklonk tussen de stemmen die de hervorming hekelden van de wet van 17 juni 2004 en die een 'herstel' van de wettekst aanbeval. Op 7 juni 2005 (exact 67 dagen na de inwerkingtreding van de wet van 17 juni 2004 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet) diende de Regering bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in met diverse bepalingen, waaronder het Hoofdstuk II van Titel IV dat artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet en het Strafwetboek wijzigt. De wet werd iets meer dan een maand later, op 20 juli, afgekondigd …[1]

In deze bijdrage werpen wij een eerste blik op de belangrijkste wijzigingen.

Eerste wijziging : artikelen 559, 1°, 561, 1°, 562, 563, 2° en 3°, 564, 565 en 566 zijn in hun oorspronkelijke versie opgenomen in Titel X van Boek II van het Strafwetboek. Deze feiten vormen dus opnieuw strafbepalingen (artikel 22 van de wet van 20 juli 2005).

Waarom een dergelijke ommekeer, na hun afschaffing in juni 2004? De hoofdreden - om niet te zeggen enige reden - is dat een niet te verwaarlozen aantal van deze inbreuken worden gepleegd door minderjarigen onder de zestien jaar, die enerzijds niet langer het voorwerp kunnen uitmaken van een beschermende maatregel in het kader van de wet van 1965 op de jeugdbescherming (aangezien het niet langer gaat om strafrechtelijke inbreuken) en die anderzijds evenmin het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve boete omwille van hun leeftijd (de wettelijke minimumleeftijd om dergelijke boetes op te leggen bedraagt zestien jaar). Met de herinvoering van deze feiten in het strafrecht zullen kleine boefjes niet meer kunnen ontsnappen aan Justitie, zelfs al zijn slechts beschermende maatregelen mogelijk [2]. Het is niettemin duidelijk dat de herinvoering van deze artikelen op iedereen van toepassing is en niet alleen op minderjarigen.

Tweede wijziging
: vier 'nieuwe' artikelen [3] worden door middel van artikel 21 van de wet van 20 juli 2005 toegevoegd aan de lijst van strafrechtelijke inbreuken waarvoor de gemeenteraad een administratieve boete kan bepalen (artikel 119bis, § 2, lid 3 – waarnaar de auteur van het wetsontwerp verwijst met 'gemengde inbreuken'). Ter verduidelijking, bijvoorbeeld inzake nachtgerucht, kan de gemeenteraad niet vaststellen wat nachtgerucht is of het verbieden, maar enkel bepalen dat iedere inbreuk op artikel 561, 1°, van het Strafwetboek strafbaar is met een administratieve boete ten bedrage van maximaal 250 euro.

We hebben ons standpunt over deze bestraffing sui generis van strafrechtelijke inbreuken reeds verduidelijkt (zie op deze website "Hervorming van de administratieve sancties: een beetje voor, veel tegen") ; wij blijven sceptisch tegenover de pertinentie van het procédé, maar erkennen ook dat dit de gemeente de mogelijkheid moet bieden bestraffend op te treden bij geviseerde gedragingen ondanks hun herpenalisering, wat voor de gemeente een bepaald belang kan inhouden (hoewel ze geen echte inbreuken vormen op de openbare orde in de zin van artikel 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet, met uitzondering van nachtgerucht).

Derde wijziging
: artikel 119bis, § 6, lid 2, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet wordt aangevuld met een zin die stelt dat in een meergemeentenpolitiezone door de gemeenteraad aangewezen gemeenteambtenaren vaststellingen kunnen doen op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van de zone, voor zover daaromtrent vooraf een akkoord is gesloten tussen de betrokken gemeenten. Dit veronderstelt weliswaar dat de betrokken ambtenaren ook de bepalingen van de politieverordeningen van de buurgemeenten kennen! Een bijkomend argument voor de harmonisering van de politieverordeningen! (zie ons model)

Vierde wijziging : herziening van de procedureregels bij samenloop van inbreuk

In dit opzicht is er tevredenheid: er is een grote lacune opgevuld. De wijziging van 17 juni 2004 zorgde voor een impasse bij de samenloop tussen een gemeentelijke inbreuk en een eenvoudige strafrechtelijke inbreuk (d.w.z. andere dan de artikelen van het Strafwetboek waarvoor eveneens een administratieve boete kan worden opgelegd). De wetgever heeft zich rekenschap gegeven van deze vergetelheid en dit geval van samenloop aangepast aan dat welk geregeld wordt door artikel 119bis, § 8, 2 e lid, van de Nieuwe Gemeentewet (administratieve boete bij een 'gemengde inbreuk').

Dit nieuwe artikel 119bis, § 8bis zou het integraal naleven van het adagium non bis in idem mogelijk moeten maken.

Vijfde wijziging : aanpassing van een reeks termijnen.

1° De verjaringstermijn van de feiten bedraagt nog steeds zes maanden, maar wordt niet langer berekend vanaf de dag van het begaan van de feiten, maar vanaf de ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal of de vaststelling. Dit zorgt voor wat meer ruimte voor de gemeenteambtenaar om het dossier te behandelen … (artikel 119bis, § 10, 4 e lid, nieuw)

2° De termijn die aan de procureur des Konings wordt toegekend om zich uit te spreken over de strafrechtelijke vervolging (art. 119bis, § 8, lid 2) wordt verlengd van één naar twee maanden. De reden hiervoor is dubbel: primo, het parket desgevallend de mogelijkheid bieden om informatie te vergaren inzake de opvoedingsomstandigheden van minderjarigen, informatie die volgens de auteur van het ontwerp onmisbaar is om te kunnen oordelen over de noodzaak om al dan niet gevolg te geven aan de vaststelling van de inbreuk [4]; secundo , vermijden dat de procureur wegens tijdsgebrek automatisch de aanhangigmaking bevestigt terwijl hij "misschien een ander oordeel had geveld indien het onderzoek volledig was voltooid" [5] . De keerzijde van de medaille: de verlenging van de termijnen houdt het risico in dat het effect van de verlenging van de verjaringstermijn in punt 1° tenietgedaan wordt.

3° De termijn voor de overdracht van het proces-verbaal aan de procureur of de ambtenaar – of de feiten nu strafrechtelijk of enkel administratief bestraft kunnen worden – is verlengd naar één maand [6]. De termijn van vijftien dagen is immers te kort gebleken om te kunnen voldoen aan de richtlijnen houdende het ambtshalve politieonderzoek en het vereenvoudigde proces-verbaal; verder is ook gebleken dat dit de kwaliteit van de vaststellingen schaadde [7]. De overdracht van 'puur' administratieve processen-verbaal is omwille van uniformering van procedures en termijnen eveneens gekaderd in een strikte termijn.

Zesde wijziging : de procedure van toepassing op minderjarigen is op een aantal punten herzien.

Ouders, voogden of personen die toezicht hebben op de minderjarige, zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve boete (artikel 119bis, § 10, 2 e lid). De processen-verbaal van vaststelling van feiten (artikel 119bis, § 9bis, 2 e lid) en de beslissingen om een administratieve boete op te leggen (artikel 119bis, § 10, 2 e lid) moeten meegedeeld worden aan de ouders, de voogd of de personen die de minderjarige onder hun toezicht hebben; deze personen hebben tevens het recht om in beroep te gaan tegen de administratieve beslissing (artikel 119bis, § 12, 2 e lid).

Indien de jeugdrechtbank in beroep beslist om een administratieve boete te vervangen door een beschermende maatregel, kan deze beslissing bovendien ook het voorwerp uitmaken van een beroep (artikel 119bis, § 12, 2 e lid), hoofdzakelijk om de gelijke behandeling te vrijwaren voor minderjarigen die vervolgd worden in het kader van de procedure vastgelegd bij de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming [8].

Zelfs als het vastgestelde feit slechts een inbreuk vormt op het gemeenteverordeningen en geen enkel strafrechtelijk karakter heeft, moet de verbaliserende ambtenaar systematisch ter informatie een kopie van de vaststellingen overmaken aan de procureur des Konings (Artikel 119bis, § 7, 3°.) [9]

Dit zijn in een notendop de belangrijkste wijzigingen uit deze herstelwet.

Om tot slot een antwoord te geven op de titel van dit artikel: palliatieve zorg of paardenmiddel? Volgens ons geen van beide. Het gaat niet om palliatieve zorg omdat wij ondanks de lacunes en aanpassingen de mening zijn toegedaan dat de gemeentelijke administratieve repressie een toekomst en bestaansreden heeft. Het gaat evenmin om een paardenmiddel, jammer genoeg, omdat de wettekst, die al niet erg duidelijk was bij aanvang, door de wijzigingen beetje bij beetje te heterogeen geworden is om werkelijk duurzaam te zijn.

Ook al zijn wij verheugd dat de wetgever de problemen die de wet aanvankelijk teweegbracht wil oplossen, toch moet hij zijn pennenvrucht dus nog maar eens ter hand nemen …


Nota

1. Wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, B.S., 29 juli. Artikelen 21 en 22, die de hier bestudeerde bepalingen bevatten, treden in werking tien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 8 augustus.

2. Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, G.Z., 2004/2005, nr. 1845/001, blz. 25.

3. D.w.z.: artikelen 559, 1° (opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans eigendommen), 561, 1° (nachtgerucht), 563, 2° (opzettelijke beschadiging van stedelijke of landelijke afsluitingen) en 563, 3° (feitelijkheden of lichte gewelddaden). Vanuit zijn voornemen om goed te doen heeft de wetgever eveneens verduidelijkt dat deze boete kan worden opgelegd voor een inbreuk "op de artikelen van boek II, titel X van het Strafwetboek"… die dezelfde zijn als artikelen 559, 1°, 561, 1°, 563, 2° et 563, 3°!

4. Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, loc. cit., blz . 21.

5. Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, loc. cit., blz. 21.

6. Artikel 119bis, § 7, 1° en 2°, nieuw. In de huidige versie van artikel 119bis, § 7 moet de politieambtenaar zijn proces-verbaal binnen de vijftien dagen aan de procureur toezenden; voor het PV van vaststelling van een louter administratieve inbreuk is er geen termijn waarbinnen de vaststellende politieambtenaar het moet overmaken aan de gemeenteambtenaar.

7. Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, loc. cit., blz. 21.

8. Wetsontwerp houdende de diverse bepalingen, loc. cit., blz. 23-24.

9. Wetsontwerp houdende de diverse bepalingen, loc. cit., blz. 22.



« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
15-10-2007
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links