Overheidsopdrachten: verdeling van de taken onder gemeenteraad en college – schrapping van de verwijzingen naar de provincie

Een ordonnantie van 9 maart 2006 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet heeft de regels voor de verdeling van de gemeentelijke bevoegdheden inzake overheidsopdrachten verbeterd en heeft er de laatste verwijzingen naar de provincie uit geschrapt.


Zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven - anders dan bij de Vlaamse en Waalse tegenhangers - wordt de Brusselse gemeentewetgeving beetje bij beetje hervormd. Een bewijs daarvan is de ordonnantie van 9 maart 2006 houdende diverse wijzigingen van de nieuwe gemeentewet (B.S. 23 maart), die bepaalde gebreken verbetert en die enkele bepalingen opfrist.

Eerste wijziging: art. 234, 3 e lid, art. 234bis en art. 236, 2 e lid, van de Nieuwe Gemeentewet

Deze bepalingen leggen de rolverdeling vast tussen de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen voor het gunnen van overheidsopdrachten. Deze bepalingen werden voor het eerst gewijzigd door de ordonnantie van 17 juli 2003 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet (B.S. 7 oktober). Sindsdien was de algemene regel dat de gemeenteraad de wijze kiest waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten worden gegund, en de voorwaarden vaststelt. Het college kan deze bevoegdheid uitoefenen in drie hypothesen:

  • primo in gevallen van dringende noodzakelijkheid die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden
  • secundo indien de raad de bevoegdheid aan het college overdraagt voor de overheidsopdrachten die betrekking hebben op het dagelijks bestuur van de gemeente, en binnen de perken van de op de begroting ingeschreven kredieten
  • tertio indien de te gunnen overheidsopdracht behandeld kan worden via de onderhandelingsprocedure van artikel 17, § 2, 1°, a van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen en diensten (d.w.z. indien het bedrag van de overheidsopdracht de door de Koning vastgestelde bedragen niet overschrijdt).
In die laatste hypothese dient de raad de beslissing op zijn eerstvolgende vergadering te bekrachtigen. We hebben vroeger reeds gesteld dat deze bekrachtiging niet alleen een formaliteit is, maar een stemming over de wenselijkheid en de regelmatigheid van de beslissing van het college. De gemeenteraad heeft dus geenszins de verplichting om de beslissing van het college te bekrachtigen [1].

Deze vereenvoudiging van de procedure bleek helaas onvoldoende. De auteur van het ontwerp stelt dat “de verplichting om alle beslissingen binnen het toepassingsveld van deze bepalingen door de gemeenteraad te laten bekrachtigen, hiervoor tot rechtsonzekerheid kan leiden in de periode voorafgaand aan de bekrachtiging door de raad [2] ”. Het risico dat een overheidsopdracht wordt geannuleerd omdat de raad deze niet heeft bekrachtigd, kan een zware onzekerheid leggen op de procedure. Een mogelijke oplossing was te wachten op de bekrachtiging door de raad alvorens de overheidsopdracht daadwerkelijk te gunnen, maar waar zijn dan de soepelheid en de snelheid die nagestreefd worden?

De afschaffing van deze verplichting tot bekrachtiging en de vervanging door een eenvoudige kennisgeving neemt dit bezwaar weg en heft de juridische onzekerheid op. Dit houdt evenwel niet in dat de raad geen middelen heeft ten overstaan van een college dat beslissingen heeft genomen die de raad ongepast of onregelmatig vindt: de gemeenteraad kan steeds, op basis van de ontvangen informatie, het college of de schepen die in de fout is gegaan, sanctioneren. De juridische instrumenten mogen dan wel verdwenen zijn, de politieke instrumenten zijn gebleven.

Gelijkaardige aanpassingen zijn aangebracht aan artikel 234bis (wijziging van de voorwaarden voor de overheidsopdracht gegund door de onderhandelingsprocedure ingevolge onderhandelingen met de aannemers) en artikel 236 van de Nieuwe Gemeentewet (verplichting voor het college, indien de wijziging een bijkomende uitgave inhoudt van 10 % van het oorspronkelijk bedrag van de overheidsopdracht, om de gemeenteraad op de hoogte te brengen).

Tweede wijziging: de verdwijning van verwijzingen naar provincies in de Nieuwe Gemeentewet

Deze wijziging vloeit voort uit een amendement dat ingediend werd door de heer Jacques Simonet. Artikel 119, 2 e lid, bevatte nog steeds het verbod voor reglementen van inwendig bestuur en politieverordeningen om in strijd te zijn met o.a. de reglementen van de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, wat sinds het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad in 1993 uit de Belgische provinciestructuur gehaald werd niet meer relevant was. Om die reden heeft de Brusselse wetgever de wijze beslissing genomen om dit verbod af te schaffen [3]. Tegelijk heeft de wetgever het derde lid van dit artikel 119 opgeheven (kennisgeving van de reglementen en ordonnanties aan de bestendige deputatie van de provincieraad). Het voorstel van de auteur van het amendement om de verplichting te schrappen om een vermelding van deze verordeningen en ordonnanties in te voegen in het Bestuursmemoriaal van de provincie, werd verworpen.

Nota

1.
De intentie van de auteur van het project was overduidelijk: hij verklaarde dat het “democratisch toezicht behouden blijft via de goedkeuring door de gemeenteraad achteraf. Zonder goedkeuring zouden de door het college genomen maatregelen vervallen.” (Ontwerp van ordonnantie tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet, Parl. St., RBHG, G.Z. 2002-2003, A-430/1, blz. 7). Bij de bespreking van het voorontwerp door de Raad van State sprak de gemachtigde ambtenaar over “goedkeuringstoezicht” door de gemeenteraad (Ontwerp van ordonnantie tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet, Advies van de Raad van State, loc. cit., blz. 24). Tot slot, op de vraag van een afgevaardigde die zich afvroeg wat er zou gebeuren indien de gemeenteraad de beslissing van het college niet zou bekrachtigen, antwoordde de Minister-President dat de hele procedure zou worden stopgezet, dat ze niet uitvoerbaar zou zijn en dat er geen verbrekingsvergoeding betaald zou moeten worden (Ontwerp van ordonnantie tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet, Verslag in vergadering, loc. cit., nr. A/430/2, blz. 3-4).

2. Ontwerp van ordonnantie houdende diverse wijzigingen van de Nieuwe Gemeentewet, Memorie van Toelichting, Parl. St., RBHG, G.Z. 2005/2006, nr. A-194/1, blz. 2.

3. Niets verandert evenwel in verband met de conformiteit van de reglementen van inwendig bestuur en de politieverordeningen met de wetten, decreten, ordonnanties, reglementen en besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen en de Gemeenschapscommissies.


« Terug

Auteur(s)

Vincent RAMELOT
Laatste update
01-08-2006
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links