Weerslag van de Huisvestingscode op de politiebesluiten


Sinds de inwerkingtreding van de Brusselse Huisvestingscode in 2004 heerst er verwarring tussen politiebesluiten aangenomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet en besluiten die de burgemeester dient aan te nemen krachtens de Code. De Code heeft de politiebevoegdheden van gemeenten evenwel (bijna) niet veranderd. De nieuwigheden betreffen enkel de gevolgen van bepaalde politiebesluiten voor het verder verhuren van het goed en het openbaar beheersrecht.


Alles blijft bij het oude …

De ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode (hierna de Huisvestingscode genoemd - BS 9/09/03) stelt uitdrukkelijk dat deze van toepassing is “ onverminderd artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet” (Artikelen 4, § 1, in fine, 13, § 1 en 19, lid 2). De Huisvestingscode verandert dus geenszins de bevoegdheden die gemeenten halen uit deze bepaling, die het volgende stelt:

(De) gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.

Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:

1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; (…)

2° het tegengaan van nachtgerucht dat de rust van de inwoners verstoort; (…)

5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden..."


De gemeentelijke overheden moeten dus door middel van politiereglementen (zie "De gemeentereglementen tegen insalubriteit") of – besluiten iedere inbreuk op de gezondheid of de veiligheid veroorzaakt door ongezonde woningen blijven voorkomen of stoppen. De burgemeester kan bijvoorbeeld met een politiebesluit de eigenaar een bevel geven om renovatiewerken uit te voeren binnen een bepaalde termijn of huurders verplichten de woning te verlaten om volksgezondheidsredenen.

Het aantal besluiten van de burgemeester aangenomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet zou dus onveranderd moeten blijven na het in werking treden van de Huisvestingscode. De Code biedt het Gewest gewoon de mogelijkheid om tussen te komen in plaats van of samen met de gemeente, indien blijkt dat de tussenkomst van deze laatste onvoldoende is om de eigenaar van een krot te overtuigen om tot de nodige verbouwingen over te gaan . De Gewestelijke Inspectiedienst (GID) kan immers, na een versneld onderzoek door haar diensten, besluiten om een woning te sluiten omdat deze de minimale normen inzake gezondheid, veiligheid en uitrusting van de Huisvestingscode [1] niet in acht neemt. De dienst kan eveneens weerspannige eigenaars veroordelen tot boetes met ontradende bedragen (tussen 3.000 en 25.000 euro per woning!).

In bepaalde gevallen kan de GID een beslissing nemen en kan de burgemeester tussenkomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet . De eigenaar dient zich in dit geval te schikken naar beide beslissingen.

Soms zal een burgemeester beslissen om een woning te sluiten vooraleer de GID heeft bepaald of deze al dan niet voldoet aan de criteria van de Code . Het maakt weinig uit: indien de burgemeester een politiebesluit aanneemt op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, dient hij niet te verwijzen naar de normen van de Huisvestingscode. Indien hij dit toch zou doen, begaat hij een fout die de annulering kan inhouden van het politiebesluit door de Raad van State [2].

De burgemeester moet dus niet wachten tot de GID het probleem aanpakt. Hij evalueert de situatie in functie van de openbare veiligheid en gezondheid. Indien deze bedreigd zijn, neemt hij onverwijld alle maatregelen die hem het meest aangewezen lijken om de dreiging op te heffen [3].

We benadrukken verder dat de GID niet bevoegd is om een ongezondverklaring van een burgemeester op te heffen en een burgemeester kan evenmin een besluit van de GID annuleren (V.&A., Parlement Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 15/06/05, nr. 8, blz. 124). Iedere overheid handelt zelfstandig en soeverein binnen zijn bevoegdheid .

Conform de Huisvestingscode brengt de GID de burgemeester op de hoogte bij iedere beslissing om de inhuurstelling te verbieden. De burgemeester is daarentegen op geen enkele wettelijke manier verplicht om de GID op de hoogte te brengen indien hij een politiebesluit neemt aangaande een woning, maar het zou wel een goede praktijk zijn (veel gemeenten doen dit reeds) (V.&A., Parlement Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 15/06/05, nr. 8, blz. 124).


… of toch bijna!

Hoewel de Huisvestingscode de gemeentelijke politiebevoegdheden niet wijzigt, verandert deze toch de gevolgen van bepaalde politiebesluiten voor het verder verhuren van het goed en het openbaar beheersrecht:

1) Het verbod om de woning te verhuren of te laten bewonen

In het verleden kon de burgemeester op ieder ogenblik een politiebesluit aangenomen wegens de ongezondheid van een woning opheffen, in functie van de evolutie van de situatie. De eigenaar diende hiertoe te bewijzen dat de nodige werken waren uitgevoerd en dat de dreiging die het besluit rechtvaardigde was verdwenen. Vervolgens kon de burgemeester het verbod om de woning te bewonen intrekken en konden eventuele huurders de woning opnieuw in bezit nemen, zonder een andere formaliteit te moeten vervullen.

Krachtens artikel 14, lid 2 van de Huisvestingscode kan een woning “die het voorwerp uitmaakt van een verbod tot onbewoonbaarverklaring genomen met toepassing van artikel 135 van de nieuwe gemeentewet” pas opnieuw te huur gesteld of verhuurd worden nadat de verhuurder een conformiteitscontroleattest heeft verkregen.

De verhuurder dient de volgende procedure te volgen (Artikel 14, lid 3 van de Huisvestingscode) :

  1. de aanvraag wordt aangetekend verstuurd naar of persoonlijk afgegeven bij de GID, met ontvangstbevestiging;
  2. de GID voert een onderzoek om na te gaan of de woning voldoet aan de eisen van de Huisvestingscode [4] ;
  3. de GID levert het conformiteitsbewijs af of weigert dit binnen de 2 maanden na de ontvangst van de aanvraag; de beslissing kan opgeschort worden in afwachting van de uitvoering van regularisatiewerken;
  4. bij een weigering beschikt de verhuurder over een beroepsmogelijkheid voor de Regering of zijn afgevaardigde ambtenaar; dit beroep dient aangetekend te worden ingediend binnen de 30 dagen na de ontvangst van de weigering aangezegd door de GID;
  5. de beroepsoverheid kan een onderzoek opleggen, uitgevoerd door een andere inspecteur van de GID dan deze die het onderzoek aanvankelijk heeft uitgevoerd;
  6. de beroepsoverheid spreekt zich uit binnen de 30 dagen na de ontvangst van het beroep (deze termijn wordt vermeerderd met 30 dagen bij een onderzoek); indien er binnen deze termijn geen beslissing valt, is de weigering als aanvaard geacht (Artikel 14, lid 2, van de Huisvestingscode).

De Huisvestingscode verduidelijkt dat het woningen betreft die ongezond zijn verklaard op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet “op grond van het feit dat de woning niet beantwoordt aan de vereiste bedoeld in artikel 4” (Artikel 14, lid 2, van de Huisvestingscode). Deze formulering leidt tot verwarring: we hebben gezien dat een politiebesluit genomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet in geen geval gemotiveerd kan worden met een eenvoudige verwijzing naar de Huisvestingscode.

Een andere vraag stelt zich eveneens: gaat het om alle politiebesluiten die een woning ongezond verklaren of enkel deze die een woning onbewoonbaar verklaren? De Code lijkt van toepassing op alle ongezondverklaringen, zonder onderscheid, maar het zou verbazend zijn dat de wetgever de wil had om de verhuur te verbieden van woningen waarvan de ongezondheid in de zin van de Nieuwe Gemeentewet niet zwaar genoeg is om een sluiting te rechtvaardigen.

De wetgever zou de formulering van artikel 14, lid 2 van de Code moeten herzien om deze interpretatiemoeilijkheden te vermijden. De Adviesraad voor Huisvesting [5] deed dit voorstel reeds aan de Regering, in het advies op eigen initiatief uitgebracht op 16 juni 2006 over de ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode.

2) Het openbaar beheersrecht

Net zoals woningen die niet verhuurd mogen worden na een besluit van de GID, maken de woningen die onbewoonbaar verklaard worden krachtens artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet voortaan deel uit van de woningen waarop het openbaar beheersrecht van toepassing kan zijn (Artikel 18, § 1 van de Huisvestingscode. Zie ook op deze website “Het openbaar beheersrecht: voor wie, waarom en hoe?”). Deze nieuwigheid ingevoerd door de huisvestingscode betreft niet alle politiebesluiten genomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, maar enkel deze die een woning “onbewoonbaar” verklaren. Hieruit volgt dat een besluit van de burgemeester dat een woning ongezond, maar verbeterbaar verklaart, zonder dat de bewoners verplicht worden het pand te verlaten, niet toestaat om het openbaar beheersrecht aan te wenden.


Wat met de besluiten die de burgemeester dient aan te nemen in uitvoering van de Huisvestingscode?

Krachtens artikel 14, lid 1 van de Huisvestingscode dient de burgemeester toe te zien op de goede uitvoering van het verbod om de woning te verhuren of te bewonen, genomen door de GID, indien een woning niet voldoet aan de normen van de Code en niet wordt hersteld door de eigenaar. De Code verduidelijkt niet hoe de burgemeester dit dient te doen, maar de voorbereidende werkzaamheden tonen aan dat de burgemeester een besluit aanneemt “in navolging van een onbewoonbaarverklaring aangenomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet[6].

Het besluit dat de burgemeester neemt op basis van de Huisvestingscode heeft echter niets te maken met een politiebesluit. Indien de burgemeester de beslissing van de GID uitvoert, past hij artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet niet toe, maar wel artikel 133 van dezelfde wet, dat stelt dat de burgmeester gewestordonnanties dient uit te voeren. Hij handelt als gedecentraliseerde agent van de bovenliggende overheid en niet als hoofd van de gemeente, een gedecentraliseerde overheid bevoegd inzake politieaangelegenheden [7]. De burgemeester voert de beslissing van de GID uit zonder deze te kunnen betwisten; de appreciatiebevoegdheid geldt enkel voor de praktische uitzettingsmodaliteiten (termijnen, aanbrengen van zegels, bekendmaking van de beslissing van de GID, …).

De burgemeester krijgt geen enkele termijn opgelegd om de beslissing van de GID uit te voeren, maar zal zich moeten verantwoorden ten opzichte van de hiërarchische overheid. Bij het in gebreke blijven en na twee opeenvolgende waarschuwingen, kan de Regering een vervangend toezicht instellen voor de gemeentelijke overheid die in gebreke is gebleven.

De bewoners van de woning mogen er blijven wonen zolang de burgemeester hen geen formeel bevel geeft om te vertrekken.

Bepaalde gemeentelijke politici hebben de tactloosheid van het procédé benadrukt: een overheid die niet heeft deelgenomen aan de beslissing (de burgemeester) dient het vuile werk op te knappen. Een burgemeester die een gezin uitzet na een beslissing van het Gewest zal dan ook zwaar onder vuur genomen worden door de roddelpers [8].

Wat er ook van is, de formele motivatie van het besluit genomen op basis van de Code moet duidelijk verwijzen naar artikel 133 van de Nieuwe Gemeentewet, artikel 14, lid 1 van de Huisvestingscode en de desbetreffende beslissing van de GID. In geen geval wordt artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet vermeld.

We herhalen dat de naam die wordt gegeven aan het besluit (bijvoorbeeld: “uitzettingsbesluit”) niet belangrijk is Het is trouwens niet nodig om deze een naam te geven. Net zoals bij een politiebesluit is enkel de inhoud en formele motivatie belangrijk.


Nota

1.
Voor meer details over de procedure die de GID in acht dient te nemen, zie Fr. LAMBOTTE, « L'ordonnance du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du Logement: de l'obligation de louer un logement décent au droit de gestion publique », Amén., 2004/2, blz. 86 e.v.

2. De Hoogste administratieve rechtscollege blijkt onverzettelijk in deze materie. Onlangs heeft het een onbewoonbaarheidsbesluit van een Waalse burgemeester geannuleerd. Deze laatste beriep zich op de Nieuwe Gemeentewet, maar het besluit was eveneens feitelijk gebaseerd op criteria van de Waalse Huisvestingscode, los van de openbare gezondheid in de strikte zin van het woord (in dit geval: de bewoonbare oppervlakte) (RvS nr. 103.845 van 21 februari 2002, Dejardin; in gelijkaardige zin, zie eveneens RvS nr. 157.426 van 7 april 2006, Van Rossem en Colard).

3. De burgemeester kan de beslissing aanpassen in functie van de ernst van de vastgestelde feiten. Hij kan in geval van noodzaak bijkomende uitvoeringstermijnen toekennen en overgaan tot verplichte werkzaamheden. Volgens de Raad van State handelt de burgemeester niet wettelijk door de strengste maatregel aan te nemen, vooral indien deze buiten alle proportie ligt ten opzichte van de feiten of de te bereiken doelstellingen. Artikel 135 van de Nieuwe Gemeente miskent in het bijzonder de politiebevoegdheid om een ongezonde woning definitief onbewoonbaar te verklaren omdat deze niet verbeterbaar zou zijn. Als het niet verbeterbare karakter van het goed niet bepaald is, volstaat een voorlopige onbewoonbaarheid, onder voorbehoud van nog uit te voeren werken. De kost van deze werken mag niet excessief zijn in verhouding tot de waarde van het gebouw (RvS nr. 127.292 van 21 januari 2004, Quievy).

4. In de praktijk zullen er zich zeker bepaalde praktische moeilijkheden voordoen indien het onderzoek wordt gevoerd vooraleer de woning wordt verhuurd: bepaalde normen van de Code (in het bijzonder de regels voor minimale oppervlakte per inwoner) zullen pas na het afsluiten van het huurcontract nagegaan kunnen worden.

5. De Adviesraad voor de Huisvesting is een adviesorgaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wiens missie bestaat uit het verlenen van adviezen en voorstellen aan de regering (op verzoek van deze laatste of op eigen initiatief) over het huisvestingsbeleid en ieder voorontwerp van ordonnantie en regelgevend besluit met als hoofdvoorwerp huisvesting. De raad bestaat uit 24 leden die alle Brusselse huisvestingsactoren vertegenwoordigen. Onze Vereniging vertegenwoordigt de gemeenten en OCMW’s. Voor meer details, zie artikelen 97 en volgende van de Huisvestingscode.

6. Ontwerp van ordonnantie betreffende de Huisvestingscode van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brusselse Hoofdstedelijke Raad, G.Z. 2002-2003, nr. A-416/1 van 28 februari 2003, blz. 19.

7. Ontwerp van ordonnantie betreffende de Huisvestingscode van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brusselse Hoofdstedelijke Raad, G.Z. 2002-2003, nr. A-416/2 van 1 juli 2003, blz. 119.

8. Zie de uiteenzetting van burgemeester V. DE WOLF tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de ordonnantie van 17 juli 2003, ontwerp van ordonnantie betreffende de Huisvestingscode van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussels Hoofdstedelijke Raad, G.Z. 2002-2003, nr. A-416/2 van 1 juli 2003, blz. 123.


« Terug

Auteur(s)

Françoise LAMBOTTE
Laatste update
01-08-2006
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links